Opleiding, verzekeren, krediet (Bedrijfseconomie vwo), les 3: Terugblik quiz

Een hoorcollege aan een technische universiteit in Helsinki

EXAMENSTOF · PERSOON · KREDIET

Quiz

Terugblik: Opleiding, verzekeren, krediet

1 / 14
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblik met een quiz van elf vragen over opleiding, verzekeren, krediet en rekenen met interest en schuldrest, gevarieerd met meerkeuze, invul, open en volgorde.

Onderdelen in deze les

Een hoorcollege aan een technische universiteit in Helsinki

EXAMENSTOF · PERSOON · KREDIET

Quiz

Terugblik: Opleiding, verzekeren, krediet

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Tungsten / Wikimedia Commons, publiek domein

De overheid betaalt mee aan hoger onderwijs. Welke reden past bij het belang voor de samenleving?

A

De student verdient later een hoger salaris

B

De student betaalt zelf minder collegegeld

C

Een student heeft minder premie te betalen

D

Meer opgeleide werknemers versterken de economie

Syllabus 11.1. Het belang voor de samenleving is kennis en vaardigheden die de economie versterken. Verwachte fout: een baat voor het individu (hoger salaris) kiezen.

Noem een voordeel van je niet verzekeren.

Syllabus 11.2.1. Goed: je bespaart premie (en je houdt dat geld). Verwachte fout: denken dat je dan minder risico loopt.

Welke combinatie hoort bij hypothecair krediet?

A

Klein bedrag, korte looptijd, geen onderpand

B

Groot bedrag, lange looptijd, woning als onderpand

C

Groot bedrag, korte looptijd, auto als onderpand

D

Klein bedrag, lange looptijd, woning als onderpand

Syllabus 11.2.3. Hypothecair: groot, lang, woning als onderpand. De tweede optie is consumptief krediet.

Welke bewering over een credit card klopt?

A

Je wordt eigenaar na de laatste termijn

B

Je betaalt interest over de hele limiet

C

Je betaalt later terug, binnen een maximaal bedrag

D

Je hebt een woning als onderpand

Syllabus begrippenlijst: credit card. Interest gaat over het openstaande bedrag, niet over de limiet. Verwachte fout: de limiet als leenbedrag zien.

Vul in

Stijgt de interest van 4% naar 5%, dan is dat 1 procentpunt en een stijging van 25 procent van het oorspronkelijke percentage.

1
25
4
20

Syllabus A5.3: procent en procentpunt. Verschil 5 minus 4 is 1 procentpunt; 1 gedeeld door 4 is 25%.

Familie Vos heeft € 300.000 hypothecair krediet tegen 3% en lost € 10.000 per jaar af. Hoeveel interest in jaar 1 en 2 samen?

A

€ 17.700

B

€ 18.000

C

€ 17.400

D

€ 37.700

Syllabus 11.2.5. Jaar 1: 300.000 × 0,03 = 9.000. Jaar 2: 290.000 × 0,03 = 8.700. Samen 17.700. Afleiders: 18.000 is 2 × 9.000 (schuldrest niet verlaagd), 17.400 is 2 × 8.700, 37.700 telt de aflossing van 2 × 10.000 mee.

Tom leent € 7.200 tegen 0,5% per maand en lost € 150 per maand af. Hoeveel interest betaalt hij in maand 13?

A

€ 36,00

B

€ 27,00

C

€ 27,75

D

€ 26,25

Syllabus 11.2.5. Voor maand 13 zijn 12 aflossingen betaald: 12 × 150 = 1.800. Schuldrest begin maand 13 = 7.200 min 1.800 = 5.400. Interest = 5.400 × 0,005 = 27,00. Afleiders: 36,00 over 7.200, 27,75 over 5.550 (maand 12), 26,25 over 5.250 (na maand 13).

Wat is het verschil tussen interest en aflossing?

Syllabus 11.2.4. Goed: interest is de prijs voor het lenen; aflossing is de terugbetaling van het geleende bedrag en verkleint de schuldrest. Verwachte fout: beide als hetzelfde zien.

Zet op volgorde: een scooter kopen op huurkoop

1

Eerste termijn betalen

2

Tussentijdse termijnen betalen

3

Eigenaar worden van de scooter

4

Laatste termijn betalen

Syllabus begrippenlijst: huurkoop. Bij huurkoop word je pas na de laatste termijn eigenaar.

Een studie kost € 12.000 en levert daarna € 3.000 per jaar extra op. Hoeveel jaar werken duurt het voor de kosten zijn terugverdiend?

A

3 jaar

B

6 jaar

C

9 jaar

D

4 jaar

Syllabus 11.1, investeringsvraagstuk. Reken alleen financieel, zonder interest en gemiste inkomsten: 12.000 gedeeld door 3.000 is 4 jaar. Verwachte fout: de studieduur of een omgekeerde deling gebruiken.

Een lening van € 10.000 heeft 4% interest en een aflossing van € 2.000 per jaar. Met hoeveel daalt de interest per jaar?

A

€ 80

B

€ 400

C

€ 8

D

€ 800

Syllabus 11.2.5. De schuldrest daalt jaarlijks met 2.000, de interest met 2.000 × 0,04 = 80. Afleider 400 is de interest in jaar 1.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF · PERSOON · KREDIET

Goed gedaan!

Je kunt nu een opleiding, een verzekering en een lening financieel en niet-financieel afwegen en de interest, aflossing en schuldrest berekenen.

Deze slide heeft geen instructies