9.3 Schakelingen met een relais

Automatische schakeling

Je hebt dus de SENSOR (geeft informatie)


de VERWERKER (schakelt iets in) én 


de ACTUATOR (voert uit)


1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Automatische schakeling

Je hebt dus de SENSOR (geeft informatie)


de VERWERKER (schakelt iets in) én 


de ACTUATOR (voert uit)


Slide 1 - Tekstslide

NTC
Negative Temp. Coëfficient





  • Reageert op temperatuur
  • Temperatuur omhoog =>
                         weerstand omlaag
LDR
Light dependent resistant





  • Reageert op licht
  • Meer Licht =>                                            weerstand omlaag

Slide 2 - Tekstslide

Regelbare weerstanden

Schuifweerstand   




                              variabele weerstand                          

Slide 3 - Tekstslide

Schakelingen
serieschakeling
parallelschakeling
spanning
spanning verdeelt
spanning overal gelijk
stroomsterkte
stroomsterkte overal gelijk
stroomsterkte verdeelt zich
weerstand
totale weerstand wordt groter
totale weerstand wordt kleiner

Slide 4 - Tekstslide

9.3 Schakelen met een relais

Slide 5 - Tekstslide

9.3 Leerdoelen, Je kunt
  • de onderdelen van een elektromagneet benoemen.
  • uitleggen hoe een elektromagneet een stroomkring kan inschakelen.
  • met symbolen tekenen hoe je een relais in een schakeling opneemt.
  • toelichten hoe een relais wordt toegepast in een automatische schakeling.
  • uitleggen hoe je een reedcontact in een schakeling als sensor gebruikt.

Slide 6 - Tekstslide

Herhaling
Automatische schakelaar
  • Sensor: Meet informatie uit de omgeving
  • Schakelaar: reageert op informatie van de sensor, en schakelt in- of uit
  • Actuator: voert de actie uit

Slide 7 - Tekstslide

Elektromagneet
Een elektromagneet is een speciaal soort magneet.
De elektromagneet bestaat uit een spoel (ronde koperdraad) + ijzeren kern
Als er stroom door de draad loopt, 
wordt hij magnetisch!

Slide 8 - Tekstslide

Het relais
Het relais is een schakelaar die wordt bediend door een elektromagneet. 
Een elektromagneet bestaat uit een spoel en een ijzeren kern.

Slide 9 - Tekstslide

Elektromagneten (1)
In de bovenste afbeelding zie je een relais.
De elektromagneet, met zijn wikkelingen van geïsoleerd 
koperdraad, bevindt zich links. 

Rechts zijn de contactpunten te zien waartussen het 
relais kan schakelen. Aan de onderkant bevinden zich 
metalen pinnen waarmee je het relais kunt aansluiten
(onderste afbeelding).

Slide 10 - Tekstslide

Relais

Slide 11 - Tekstslide

Elektromagneten (2)
Er zijn dus twee verschillende stroomkringen:
1 de stroomkring van de elektromagneet;

2 de stroomkring van de actuator


Slide 12 - Tekstslide

De werking van een relais
In afbeelding hiernaast is schematisch getekend 
hoe je een lamp met een relais kunt in- en 
uitschakelen. Als er geen stroom door de spoel 
loopt, is de spoel S niet magnetisch. 
Een veer trekt het beweegbare anker A dan 
omhoog (zie afbeelding ). 
Daardoor wordt het anker tegen 
contactpunt 1 aangedrukt.
Er kan dan geen stroom lopen via 
contactpunt 2: de lamp is uit.

Slide 13 - Tekstslide

De werking van een relais
De spoel wordt magnetisch als je er stroom 
doorheen laat lopen. Hij trekt dan het ijzeren 
anker naar zich toe. Daardoor wordt het anker
tegen contactpunt 2 aangedrukt 
(afbeelding hiernaast). 
Dit veroorzaakt het typische klikgeluid van een
relais. De stroomkring via contactpunt 2 is 
hierdoor gesloten: de lamp begint te branden.

Anker
Beweegbaar ijzeren onderdeel van een relais.

Slide 14 - Tekstslide

Een startmotorschakeling
Zoals je aan het schakelsymbool hier kunt zien, 
heeft een relais vijf aansluitpunten.
De aansluitpunten 1 en 2 zijn voor:
het aansluiten van de spoel
Hiermee maak je stroomkring 1. 
Op de aansluitpunten 3, 4 en 5 die je rechts ziet,
kun je een actuator aansluiten. 
Hiermee maak je stroomkring 2.
Het symbool voor een relais

Slide 15 - Tekstslide

Een startmotorschakeling

Van de drie aansluitpunten voor de actuator
gebruik je de onderste aansluiting (5) altijd. 

Je houdt dan twee aansluitpunten over: 
het maakcontact M (3) en het breekcontact B (4).
Het hangt van het doel van de schakeling af of je
het maakcontact gebruikt of het breekcontact. 
Soms worden zelfs beide contacten in één 
schakeling gebruikt.
Het symbool voor een relais

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Startmotor auto met relais
-Sleutel in slot
-Spoel magnetisch
-Anker naar M
-Motor aan.

Slide 18 - Tekstslide

De werking van een relais.
anker

Slide 19 - Tekstslide

De werking van een relais.
LDR

Slide 20 - Tekstslide

Een inbraakalarm

Slide 21 - Tekstslide

Reedcontact
  • Wordt gebruikt als schakelaar / sensor
  • Schakelaar die werkt op een magneet
  • Magneet bij reedcontact => gesloten contact => stroom


Slide 22 - Tekstslide

Voorbeeldschakeling raambeveiliging

Slide 23 - Tekstslide

Wat is de functie van het relais?
A
Het relais meet de spanning
B
Het relais werkt als spanningsdeler
C
Het relais meet de stroomsterkte
D
Het relais werkt als schakelaar

Slide 24 - Quizvraag

Wat is een voordeel van een relais?
A
Detecteren of een schakeling geopend of gesloten is.
B
De stroomrichting één kant op laten gaan.
C
Een grote stroomkring activeren met een kleine stroom.
D
De spanning verlagen tot een veilig niveau.

Slide 25 - Quizvraag

In een schakeling is een relais opgenomen als schakelaar.
Door welk onderdeel wordt het relais bediend?

A
door het anker
B
door het breekcontact
C
door de elektromagneet
D
door de spoel

Slide 26 - Quizvraag

Gaat de lamp branden..

Slide 27 - Tekstslide

Gaat de lamp branden..

Slide 28 - Tekstslide

Gaat de lamp branden..

Slide 29 - Tekstslide

Gaat de lamp branden..

Slide 30 - Tekstslide

Gaat de lamp branden..

Slide 31 - Tekstslide

Door welke schakeling loopt de grootste stroom?
A
de Linker schakeling
B
de Rechter schakeling
C
Beide evenveel

Slide 32 - Quizvraag

Hoe noemt men het volgende symbool:

A
Voltmeter
B
LDR
C
Schakelaar
D
Spanningsmeter

Slide 33 - Quizvraag

De weerstand van een LDR kan in korte tijd sterk veranderen.
Wanneer wordt de weerstand van een LDR kleiner?
A
Meer licht op de LDR
B
Minder licht op de LDR
C
Temperatuur van de LDR daalt
D
Temperatuur van de LDR stijgt

Slide 34 - Quizvraag

Wanneer er meer licht op een LDR valt, wordt de weerstand ...... en de stroomsterkte door de LDR ......
A
Groter, Kleiner
B
Kleiner, Groter
C
Groter, Blijft Gelijk
D
Kleiner, Kleiner

Slide 35 - Quizvraag

De weerstand van een NTC kan in korte tijd sterk veranderen.
Wanneer wordt de weerstand van een NTC groter?
A
Meer licht op de NTC
B
Minder licht op de NTC
C
Temperatuur van de NTC daalt.
D
Temperatuur van de NTC stijgt.

Slide 36 - Quizvraag

Gaat de lamp branden..
..als je de schakelaar
indrukt?

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Tekstslide

Slide 39 - Tekstslide

Huiswerk
9.3 Opdracht 1 t/m 9

Slide 40 - Tekstslide