Week 16 - Domein 2 - Verhoudingen - Verhoudingen 2

Rekenen
Domein 2 Verhoudingen
Week 16
Verhoudingen Les 2
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
RekenenMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Rekenen
Domein 2 Verhoudingen
Week 16
Verhoudingen Les 2

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vorige week
Je kunt nu een verhouding gebruiken om:

- een prijs uit te rekenen
- een aantal uit te rekenen
- een hoeveelheid uit te rekenen


Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Veel sommen zijn opgezet als een klein verhaal, 
zoals bijvoorbeeld een nieuwsbericht. 

Uit zo'n nieuwsbericht dien je de data te halen 
waarmee je de vraag in de som kunt oplossen.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zoals deze van vorige week:

In Heerlen volgen 
38 vrouwen een 
ICT-opleiding.

Hoeveel studenten 
gaan er in Limburg 
naar het MBO?

Slide 4 - Tekstslide

Geef ze de tijd om te berekenen 
Één op de 20 studenten van MBO Limburg volgt een ICT- opleiding. Ongeveer 2/5 van de ICT studenten gaat in Heerlen naar school. Een derde hiervan is vrouw.

In Heerlen volgen 38 vrouwen een ICT-opleiding.
Hoeveel studenten gaan er in Limburg naar het MBO?




Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

38 ICT-studenten in Heerlen is vrouw
38 vrouwelijke ICT-studenten is één derde
twee derde is dus mannelijk.
drie derde is dan 3 x 38 = 114 ICT-studenten totaal
De 114 ICT-studenten in Heerlen zijn 2/5 van 
alle ICT-studenten in heel Limburg. 
1/5 is dan 114 : 2 = 57 studenten
5/5 
is dan 5 x 57 = 285 ICT-studenten in heel Limburg.
285 ICT-studenten is het totale aantal in Limburg
Één op de 20 studenten van MBO Limburg volgt een ICT-opleiding. 
Één op de 20 = 1/20 = 285 studenten
20/20 is dan 20 x 285 = 5700 studenten

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3 op de 5 studenten is klaar met de toets.
Dat zijn 12 studenten.

Hoeveel studenten zitten er in de klas?
A
18 studenten
B
20 studenten
C
24 studenten
D
26 studenten

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Student is klaar
Totaal aantal
3
5
12
?
Student is klaar
Totaal aantal
3
5
12
20
x4
x4
20 studenten totaal

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

200 gram noten kost € 5,-
Je moet € 6,25 afrekenen.

Hoeveel gram noten heb je gekocht?
A
215 gram
B
235 gram
C
250 gram
D
270 gram

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Gram noten
Prijs
200
5
?
Gram noten
Prijs
200
5
50
1,25
: 4
: 4
250 gram noten
6,25
6,25
x 5
x 5
250

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen deze week
- Je kunt een verhouding gebruiken om te berekenen 
hoe groot het totaal is of hoe groot de delen zijn.

- Je kunt een verhouding vereenvoudigen. 

- Je kunt verhoudingen met elkaar vergelijken 
als één getal in beide verhoudingen gelijk is.


Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In een dierenasiel is de verhouding tussen honden en katten 2 op 7. In het asiel zitten 98 katten.

Hoeveel honden zitten er in het asiel?
A
28 honden
B
32 honden
C
36 honden
D
40 honden

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Je gaat roze verf maken door witte verf en rode verf met elkaar te mengen in de verhouding 3 : 2.
Je hebt 2,5 liter roze verf nodig.

Hoeveel rode verf heb je dan nodig?
A
0,5 liter
B
0,75 liter
C
1 liter
D
1,25 liter

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Om tot 2,5 liter roze verf te komen.

Hoeveel verf moet je dan kopen en wat moet je dan betalen?
A
€ 33,97
B
€ 39,96
C
€ 31,97
D
€ 35,98

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Saskia, Farida en Margo werken in een restaurant. Aan het eind van de avond hebben ze in totaal € 220 fooi gekregen. Saskia heeft 2,5 uur gewerkt, Farida 3,5 uur en Margo 5 uur. Ze verdelen de fooi naar verhouding
van het gewerkte aantal uren.

Hoeveel fooi heeft Farida gekregen deze avond?
A
€ 40
B
€ 50
C
€ 70
D
€ 100

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3.400 van de 4.000 inwoners van een dorp hebben een fiets.

Vereenvoudig zo ver mogelijk.
Beantwoorden als: xx op de xx

Slide 24 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een fietsenmaker verkoopt 1.260 fietsen, waarvan
720 elektrische fietsen. Wat is de verhouding tussen het aantal verkochte elektrische fietsen en het totale aantal verkochte fietsen? Vereenvoudig zo ver mogelijk.

Slide 26 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Wat is de verhouding tussen de lengte en de breedte van het zaalhockeyveld?

Vereenvoudig zo ver mogelijk
A
3:5
B
6:3
C
4:7
D
7:4

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat was in 2012 de verhouding tussen het aantal vakanties in eigen land en het aantal vakanties in het buitenland?

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat was in 2012 de verhouding tussen het aantal vakanties in eigen land en het aantal vakanties in het buitenland?

Vereenvoudig zo ver mogelijk
A
10:12
B
15:18
C
5:6
D
3:2

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Auto A:
560 km met 4o liter

Auto B:
625 km met 50 liter
A
Auto A
B
Auto B

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Quinten en Matthijs zijn aan het karten. Quintens kart valt na 7 minuten uit. Hij heeft dan 3 ronden gereden. Matthijs rijdt 5 ronden in 12 minuten.

Wie rijdt het snelst? Quinten of Matthijs?
A
Quinten
B
Matthijs

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kraam A: 3 bossen tulpen voor € 5,50
 Kraam B: 4 bossen tulpen voor € 7,-
Kraam C: 5 bossen tulpen voor € 9,-

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Welke kraam is naar verhouding het goedkoopst?
A
Kraam A
B
Kraam B
C
Kraam C

Slide 39 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

En nu jullie:
Lesmateriaal > Startrekenen Online > 
3F zeeblauwe leerwerkboeken > Domein 2 verhoudingen >
Oefeningen > Verhoudingen

Oefeningen:
Vereenvoudigen
Vergelijken
+ de oefeningen van vorige week 

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies