14/3 5.1 taalverrijking samenstellingen en afleidingen

Les 2
  1. Telefoon in de tas en snel gaan zitten.
  2. In stilte pak je je iPad en log in op de LessonUP.
  3. Draai je iPad om of doe je hoes voor je beeldscherm.
  4. Pak dan je lesboek, schrift, leesboek en  etui.
  5. Ga lezen.
timer
20:00
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Les 2
  1. Telefoon in de tas en snel gaan zitten.
  2. In stilte pak je je iPad en log in op de LessonUP.
  3. Draai je iPad om of doe je hoes voor je beeldscherm.
  4. Pak dan je lesboek, schrift, leesboek en  etui.
  5. Ga lezen.
timer
20:00

Slide 1 - Tekstslide

Samenstellingen & afleidingen
Taalverrijking 5.1

Slide 2 - Tekstslide

Planning

  • Lezen (al gedaan)
  • Instructie/quiz
  • Werken 

Slide 3 - Tekstslide

Nakijken

Staat in Magister, bij dit uur: Voeg jezelf ook toe aan de klas op Leswijs: Niet toegevoegd = niet kunnen nakijken!!
https://leswijs.learnbeat.nl/join/9RX5PM


Slide 4 - Tekstslide

Leren voor de toets

Theorie moet je kennen = leren
Theorie moet je kunnen toepassen in opdrachten  = oefenen
Vanuit de theorie uitleg kunnen geven bij jouw antwoorden = oefenen en leren
Type vraag en opdracht kennen en kunnen beantwoorden = oefenen en kijken naar je nagekeken en verbeterd werk.

Hoe?
Maak de voortgangstoetsen, maak eventuele extra oefenopdrachten, maak (online) nogmaals de gemaakte opdrachten, oefen op Cambiumned, maak flitskaarten (op papier of in StudyGo of Quizlet) en oefen daarmee, maak een memory of dominospel (met antwoordmodel) en speel het met anderen, etc.



Slide 5 - Tekstslide

Leren voor de toets

Leertips:
  1. Tijd: beter elke dag een twintig/dertig minuten, dan twee uur een dag van tevoren.
  2. Wissel maken en leren af. Zorg dat je leren niet alleen doet door te lezen, maar doe iets actiefs met de lesstof.
  3. Neem na 30 minuten een pauze van 5 minuten (en ja, ga dan even lekker op je telefoon of pak iets lekkers)
  4. Aandacht: laat je niet afleiden door je iPad, telefoon of iets/iemand anders.
  5. Interesse: Ook al is het misschien niet het meest leuke vak, probeer nieuwsgierig te zijn naar hoe een regel of vaardigheid werkt, hoe je het moet gebruiken en waarom je het moet leren.

Op deze manier kan de nieuwe informatie in je lange termijngeheugen worden opgeslagen en is de basis voor de volgende keer goed gelegd. 


Slide 6 - Tekstslide

Leerdoelen
Aan het einde van deze les:
  • weet je wat een afleiding is; 
  • weet je wat een samenstelling is; 
  • weet je hoe je samenstellingen schrijft; 
  • weet je wat de betekenis van diverse woorden is. 

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Er volgen nu een paar voorbeelden waarbij er een foutje is gemaakt bij het (niet) samenstellen van woorden. Kan je de fout ontdekken? 

Noteer hoe het woord/de woorden wél geschreven moet(en) worden.

Slide 9 - Tekstslide


Slide 10 - Open vraag


Hier zijn er twee!

Slide 11 - Open vraag


Slide 12 - Open vraag


Slide 13 - Open vraag


Slide 14 - Open vraag


Slide 15 - Open vraag

Slide 16 - Tekstslide

Samenstelling
- Regel: Hoe lang het woord ook wordt, je schrijft het altijd aaneen.
(fietsbandventieldopje)

- Soms zijn er tussenletters nodig, zoals -s of -en.
(Stationsweg, pruimenjam)

Slide 17 - Tekstslide

Samenstelling
Een samenstelling is het samengaan van twee aparte woorden. De woorden ‘les’ en ‘boek’ worden samen ‘lesboek’. Een samenstelling schrijf je zoveel mogelijk aan elkaar:

  • het dolfijnenbad
  • de beukenhouten pingpongtafel
  • drieënveertighonderd proteststemmers
  • de buitengewone blindedarmontsteking
  • de eerstelijnsgezondheidszorg

Slide 18 - Tekstslide

Samenstelling
Samenstellingen met een voorzetsel schrijf je ook aan elkaar:
  • waarover
  • eraan
  • waarin
  • eromheen
  • ervoor
  • daartussenin
Je schrijft: denk eraan dat, let erop dat.

Slide 19 - Tekstslide

Invloed Engels

Invloed Engels
De regel is helder: je schrijft schooldag en niet school dag. Toch worden samenstellingen steeds vaker geschreven met een spatie ertussen. Deze fout ontstaat waarschijnlijk onder invloed van het Engels. In het Engels schrijf je samenstellingen vaak wél met een spatie: school day.

school book - schoolboek
school holidays - schoolvakantie

Slide 20 - Tekstslide

Uitzonderingen: gebruik koppelteken

Slide 21 - Tekstslide

Koppelteken
Wanneer er kans is op een uitspraakprobleem (of een leesprobleem) gebruik je een koppelteken. -->> Je gebruikt dus een koppelteken in samenstellingen tussen klinkers die je ook samen kunt uitspreken, de zogenaamde 'botsende klinkers'. 
--> Klinkerbotsing betekent dat er twee klinkers naast elkaar staan die je als één klank kunt lezen, terwijl ze bij verschillende lettergrepen horen. 

Bij samenstellingen met een aantal klinkers achter elkaar:
  • stageplaats en stage-uren
  • nadoen en na-apen
  • nettowinst en netto-opbrengst
  • saladedressing en salade-eter

Slide 22 - Tekstslide

Je gebruikt het koppelteken
  • om leesfouten te vermijden bij klinkerbotsing:
zo-even, stage-uren, radio-omroep, na-apen, tosti-ijzer
- ee - aa - oo - uu - ii - ie - ei - ij - au - ou - oe - ui
  • in samenkoppelingen, die anders onoverzichtelijk worden: kant-en-klaarpakket, doe-het-zelver
  • bij letters, cijfers, andere tekens, afkortingen en St of Sint– S-bocht, A4-formaat, @-teken, Sint-Maarten (maar als je een afkorting zonder hoofdletters als woord uitspreekt, komt er geen koppelteken: havodiploma, viproom, pinautomaat);

Slide 23 - Tekstslide

Je gebruikt het koppelteken

  • in aardrijkskundige namen met een extra toevoeging
    Noord-Brabant, Zuid-Amerika, Midden-Nederland
  • als het tweede deel van de samenstelling een hoofdletter heeft:
     – on-Hollands, pro-Amerikaans;
  • in samenstellingen van twee gelijkwaardige woorden:
     – zwart-wit, hotel-restaurant.

Slide 24 - Tekstslide

Koppelteken

Bij samenstellingen met letters, afkortingen en cijfers. Let op: in het geval van een samenstelling met een afkorting gebruik je het koppelteken alleen wanneer je de afkorting niet als één woord uitspreekt. Je gebruikt het dus niet bij havoleerling, maar wel bij mbo-student:
  • vwo-leerling
  • d-snaar
  • 12-letterige code
  • X-benen
  • 120-tal

Slide 25 - Tekstslide

Koppelteken

Bij samenstellingen met ‘ex’ en ‘oud’:
  • ex-vriend
  • oud-leerling

Slide 26 - Tekstslide

Koppelteken

Bij samenstellingen met aardrijkskundige namen:
  • Zuid-Amerika
  • Zuidoost-Gelderland
  • Amsterdam-Oost
  • Noord-Hollander

Slide 27 - Tekstslide

Koppelteken - weglatingsstreepje

Je noteert ook een koppelteken bij samenstellingen die een deel van het woord weglaten --> het streepje staat dan voor het weggelaten woord:
  • slaap- en waakritme
  • in- en uitgang
  • schoolgangen en -lokalen
  • voor- en nadelen
  • wintertruien en -broeken

Slide 28 - Tekstslide

Weglatingsstreepje
Als je een deel van een woord weglaat,  dan gebruik je een weglatingsstreepje voor het woord dat je weglaat. 
  • Als je het eind van het woord weglaat, komt het streepje bij het eerste woord aan het eind, bijv. in- en uitvoer.
  • Als je het begin van het woord weglaat, komt het streepje aan het begin van het tweede woord, bijv. damesjassen en -jurken.
  • Je gebruikt geen weglatingsstreepje als je een heel woord weglaat: dure (oorbellen) en goedkope oorbellen.

Slide 29 - Tekstslide

Afleiding
Een afleiding bestaat uit een basiswoord, dat zelfstandig kan bestaan, met daarbij een voorvoegsel of achtervoegsel. 

Je kunt deze onderdelen niet losschrijven, in tegenstelling tot bij een samenstelling.
vreemdeling 
vreemd = zelfstandig, maar -eling is niets.  

Slide 30 - Tekstslide

verkleinwoorden = afleiding
Verkleinwoorden zijn ook afleidingen.
boekje -> boek   je
wandelingetje -> wandeling   etje

Slide 31 - Tekstslide

rij + examen
A
rij examen
B
rijexamen
C
rij-examen

Slide 32 - Quizvraag

In het woord
'bijna+ botsing'
moet een koppelteken geplaatst worden.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 33 - Quizvraag

In het woord
'T+ shirt'
moet een koppelteken geplaatst worden.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 34 - Quizvraag


Wat is goed?
A
Rode en - witte rozen
B
Rode - en witte rozen
C
Rode en witte rozen
D
Rode rozen en witte rozen

Slide 35 - Quizvraag

Noteer het weglatingsstreepje op de juiste plek:

wielerwedstrijden en hardloopwedstrijden

Slide 36 - Open vraag

Werk voor de deze les (als er tijd over is) + huiswerk: 

Online: taalverrijking 5.1, inleiding + deel 1: 1 t/m 9



Wat  niet af is = huiswerk
Klaar = lezen uit je leesboek

timer
25:00

Slide 37 - Tekstslide

Cambiumned
Uitleg en oefeningen over samenstellingen en de tussenletters

Slide 38 - Tekstslide