les 23 maart

les 23 maart
1 / 53
volgende
Slide 1: Tekstslide
NEnseignement Secondaire

In deze les zitten 53 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 75 min

Onderdelen in deze les

les 23 maart

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vandaag
Gemeenteraadsverkiezingen
Grammatica herhalen
Nieuw werkwoordelijk gezegde
werkwoord van de week
Woordenschat







Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gemeenteraadsverkiezingen
https://jeugdjournaal.nl/artikel/2606645-kindervraag-waarom-zijn-er-gemeenteraadsverkiezingen







Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grammatica
Zinsdelen benoemen

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe maak je zelf zinnen?
Stel je voor dat je deze opdracht krijgt: Maak een zin die bestaat uit 3 zinsdelen.

Hoe pak je dit aan? 
Bedenk eerst welke zinsdelen je kent.

Welke zinsdelen ken je?
  1. werkwoordelijk gezegde
  2. onderwerp
  3. lijdend voorwerp
  4. meewerkend voorwerp
  5. (bijwoordelijke bepaling)


Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vandaag:
Na deze les kun je onderstaande zinsdelen benoemen:
-Persoonsvorm
- Werkwoordelijk gezegde
- Onderwerp
- Lijdend voorwerp
- Meewerkend voorwerp
- Bijwoordelijke bepaling

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Persoonsvorm
De persoonsvorm kun je op drie manieren vinden in een zin:

1. De zin vragend maken
 
2. De tijd in de zin veranderen

3. Het aantal in de zin veranderen

Ik loop naar school. 

Loop ik naar school?

Ik liep naar school.

Wij liepen naar school. 




Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin:

Elke vrijdagavond hang ik lekker op de bank
A
ik
B
hang
C
op de bank
D
elke vrijdagavond

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de persoonsvorm in de volgende zin:

Sturen jullie ook altijd kerstkaarten?
A
jullie
B
kerstkaarten
C
Sturen

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke zinsdelen ken je allemaal?

Slide 10 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Zinsdelen
1. werkwoordelijk gezegde (wg)
2. onderwerp (ow)
3. lijdend voorwerp (lv)
4. meewerkend voorwerp (mv)
5. bijwoordelijke bepaling (bwb)

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het werkwoordelijk gezegde?

Slide 12 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke vraag stel je om het onderwerp te vinden in de zin?

Slide 13 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Het onderwerp
Het onderwerp is altijd een persoon, een dier of een zaak. Het is datgene waar het in de zin om gaat.

Je vindt het onderwerp door te vragen: 
Wie/wat + persoonsvorm.
Voorbeeld: Ik loop naar school.
De persoonsvorm is "loop". 
Wie loopt? Ik. "Ik" is dus het onderwerp. 

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het onderwerp in de volgende zin?
Jan en Henk fietsen naar huis.
A
Jan
B
Henk
C
Jan en Henk
D
huis

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het onderwerp in de volgende zin.

Gisteren heeft hij een spelletje gespeeld.
A
Gisteren
B
een spelletje
C
heeft
D
hij

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke vraag stel je om het lijdend voorwerp te vinden?

Slide 17 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Lijdend voorwerp
Het lijdend voorwerp vind je door de vraag te stellen: Wie/wat + persoonsvorm/werkw.gez + onderwerp?
Voorbeeld
Mark gaf mij gisteren een cadeautje. 
- Persoonsvorm: Gaf Mark mij gisteren een cadeautje?
- Onderwerp:  Wie gaf? Mark
- Lijdend voorwerp: Wat +gaf+ Mark? een cadeautje

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?
Marjan heeft vandaag appels gekocht.
A
vandaag
B
appels
C
Marjan
D
heeft gekocht

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?
Morgen krijg ik een nieuwe fiets.
A
Morgen
B
krijg
C
ik
D
een nieuwe fiets

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Meewerkend voorwerp
Het meewerkend voorwerp herken je doordat er "aan" voor staat of ervoor gezet kan worden.

Je vindt het door te vragen: 
Aan wie(voor wie) +werkwoordelijk gezegde +onderwerp +lijdend voorwerp 


Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zo vind je het meewerkend voorwerp


1. Zoek eerst de persoonsvorm, werkwoordelijk gezegde en het lijdend voorwerp.
2. Stel de vraag: Aan/Voor wie + werkwoordelijk gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Sleep de zinsdelen naar het juiste vak.
onderwerp
lijdend vvw
ww gezegde
meewerkend vw
Zin:
Marjan
had
een mooi gedicht
voor haar opa 
geschreven. 

Slide 23 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Sleep de zinsdelen naar het juiste vak.
onderwerp
lijdend vvw
ww gezegde
meewerkend vw
Zin:
Gisteren
bracht
ze
een goed boek
voor mij
mee.

Slide 24 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Sleep de zinsdelen naar het juiste vak.
onderwerp
lijdend vw
ww gezegde
meewerkend vw
Zin:
De ober 
heeft 
de jas
aan de klant 
gegeven. 

Slide 25 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bijwoordelijke bepaling

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bijwoordelijke bepaling

Slide 27 - Tekstslide

VWO moet de verschillende soorten bwb's kunnen herkennen. 
bijwoordelijke bepaling

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een bijwoordelijke bepaling (bwb) kan in een zin staan, maar dat hoeft niet. Er kunnen ook meerdere bijwoordelijke bepalingen (bwb) in een zin staan.
Alles wat je overhoudt na het benoemen, noem je bwb. Bijwoordelijke bepalingen zijn vaak plaatsen of tijden, maar het kan van alles zijn.

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Terugblik : zinsdelen

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bijwoordelijke bepaling

Let op
Niet in alle zinnen komt een bijwoordelijke bepaling voor, maar een zin kan wel meerdere bijwoordelijke bepalingen bevatten!

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Even oefenen
https://werkwoordvandeweek.nl/

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grammatica zinsdelen
Er zijn twee soorten wederkerende werkwoorden.

Verplicht wederkerend werkwoord
Hoort bij een wederkerend voornaamwoord (me, je, zich, ons)
Het wederkerend vnw hoort hier bij het WG: vergiste zich, realiseer me, bemoeit zich  
Gaat om iets wat je alleen zélf kunt doen.

Toevallig wederkerend werkwoord
Hoort niet altijd bij een wederkerend vnw, het is iets wat je ook voor een ander kunt doen. 
Het wederkerend vnw hoort hier bij het LV: heb jij je vermaakt?

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hij verdedigt zich met zijn vuisten!
Wat is het WG?
TIP!
Bij verplichte wederkerende werkwoorden hoort het wederkerend voornaamwoord bij het WG
Bij toevallig wederkerende werkwoorden niet.
A
verdedigt
B
verdedigt zich

Slide 34 - Quizvraag

Hij verdedigt zichzelf met zijn vuisten.

WG = verdedigt
LV = zich
Gedroeg jij je verdacht volgens de politieagent?
Wat is het WG?
A
gedroeg
B
gedroeg je

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Juist of onjuist:
een wederkerend werkwoord hoort niet bij het werkwoordelijk gezegde
A
juist
B
onjuist

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Verplicht wederkerend of toevallig wederkerend werkwoord?

Ruud vermaakt zich met Rocket League.
A
verplicht wederkerend werkwoord
B
toevallig wederkerend werkwoord

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hij meldt ... aan.
Ik meld ... aan.
Jullie melden ... aan. 
Wij melden ... aan. 
Lisa meldt ... aan.
Meld jij ... aan?


ons
zich
me
je
zich
je

Slide 38 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Haast ... !
Waarom haasten wij .... zo?
Ik haast ... niet.
Haast jij ... nooit? 
De dames haasten ... 
Valentina haast ... nooit.


ons
zich
me
je
zich
je

Slide 39 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik                                            nooit!

Ali                                           nooit!

Jullie                                         nooit!
verveel
verveelt
vervelen
je
zich
me

Slide 40 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waar erger jij ... aan?
A
me
B
zich
C
je
D
ons

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De kat wast ... iedere dag.
A
me
B
zich
C
je
D
ons

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe vaak scheren jullie ...?
A
me
B
zich
C
je
D
ons

Slide 43 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wij schamen ... vreselijk.
A
me
B
zich
C
je
D
ons

Slide 44 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik vergis ... nooit!

Slide 45 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Hij verbaast ..... over de som.

Slide 46 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Vervelen jullie ... heel erg?

Slide 47 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Zit er in deze zin een verplicht of toevallig wederkerend werkwoord?
De secretaresse herinnert haar chef aan zijn afspraak.
A
verplicht
B
toevallig

Slide 48 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik schaamde me voor de opmerkingen die mijn ouders maakten.

Wat voor wederkerend werkwoord is schamen?

A
toevallig wederkerend werkwoord
B
verplicht wederkerend werkwoord

Slide 49 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik was mezelf met water uit een bergbeekje.

Wat voor wederkerend werkwoord is wassen?
A
toevallig wederkerend werkwoord
B
verplicht wederkerend werkwoord

Slide 50 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kortom...
Kijk of je een ander persoon toe kan voegen bij het wederkerend werkwoord.
    - Hij vermaakt zich.
   - Hij vermaakt zijn zusje.
  1. Ja? Heb je te maken met een toevallig wederkerend werkwoord dan lv.
  2. Nee? dan een verplicht wederkerend werkwoord dan wg

- Zij gedraagt zich.
- Zij gedraagt haar zusje.

Slide 51 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Benoem: pv, ow, wg/ng, lv, mv en bwb
Uw ergernis over mijn uitspraken had ik me tot nu toe niet gerealiseerd.

pv =
ow =
wg/ng =
lv = 
mv =
bwb=

Slide 52 - Tekstslide

pv = had
ow = ik
wg = had me gerealiseerd (verplicht)
lv = uw ergernis over mijn uitspraken
mv = X
bwb = tot nu toe, niet

Benoem: pv, ow, wg/ng, lv, mv en bwb
Uw ergernis over mijn uitspraken had ik me tot nu toe niet gerealiseerd.

pv = had
ow = ik
wg = had me gerealiseerd (verplicht)
lv = uw ergernis over mijn uitspraken
mv = X
bwb = tot nu toe, niet

Slide 53 - Tekstslide

pv = had
ow = ik
wg = had me gerealiseerd (verplicht)
lv = uw ergernis over mijn uitspraken
mv = X
bwb = tot nu toe, niet