Nederlands: grammatica
Zelfstandig naamwoord
Naamwoordelijk gezegde
Nederlands: grammatica
Zelfstandig naamwoord
Naamwoordelijk gezegde
Welke woordsoort ontbreekt in de zin: ___ vogels vliegen in de lucht.
lidwoord
werkwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
Welke woordsoort ontbreekt in de zin: De koeien _____ weer naar buiten.
lidwoord
werkwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
Welke woordsoort ontbreekt in de zin: Janneke heeft een mooi ____ aan.
lidwoord
werkwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
Welke woordsoort ontbreekt in de zin: De paarden grazen ___ de wei.
bijvoeglijk naamwoord
werkwoord
zelfstandig naamwoord
voorzetsel
LIDWOORD
Er zijn drie lidwoorden:
- de
- het ('t)
- een ('n)
ZELFSTANDIG NAAMWOORD
Woorden voor:
mensen
dieren
planten/natuurverschijnselen
dingen/gevoel
(eigen) namen
ZELFSTANDIG NAAMWOORD
ZELFSTANDIG NAAMWOORD
- heeft meestal een enkelvoud en een meervoud
(vriend - vrienden)
- kan vaak klein of groot gemaakt worden
(taart - taartje)
- staat vaak met een lidwoord geschreven
(de klas, een boek, het paard)
WERKWOORD
- werkwoorden = doe-woorden
- zegt wat iets of iemand doet of overkomt
- kan vervoegd worden (kan verschillende vormen hebben)
STERKE
werkwoorden
hebben de KRACHT om in de verleden tijd van klank te veranderen
ik koop - ik kocht
zij kruipen - zij kropen
ZWAKKE
werkwoorden
de klank blijft in de verleden tijd hetzelfde
ik verf - ik verfde
hij fietst - hij fietste
WERKWOORD VERVOEGEN
vallen (sterk ww)
val - valt - vallen - viel - vielen - gevallen - vallend
zeven (zwak ww)
zeef - zeeft - zeven - zeefde - zeefden - gezeefd - zevend
BIJVOEGLIJK NAAMWOORD
- vertelt meer over een zelfstandig naamwoord
- het spannende boek
- een spannend boek'
- het boek is spannend
BIJVOEGLIJK NAAMWOORD
- staat meestal in de buurt van een zn
- heeft een korte en een lange vorm
- kent de trappen van vergelijking
BIJVOEGLIJK NAAMWOORD VAN EEN WERKWOORD
(verven) - het geverfde huis
(ontdooien) - de ontdooide maaltijd
(ontwerpen) - het speciaal ontworpen toestel
Les 2 Naamwoordelijk gezegde
Soorten werkwoorden
1. zelfstandige werkwoorden (zww) = wg
2. koppelwerkwoorden (kww) = ng
zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen (heten, dunken, voorkomen)
koppelt het onderwerp aan het naamwoordelijk deel ('ond=nw.deel')
3. hulpwerkwoorden (hww) = extra werkwoord in de zin
Regel: "Bij twee of meer werkwoorden in de zin in de persoonsvorm ALTIJD een hulpwerkwoord (hww)."
In een schema
Werkwoordelijk deel
Het werkwoordelijk deel (ww.deel) bevat alle werkwoorden uit de zin.
Een van die werkwoorden is een koppelwerkwoord (kww).
Naamwoordelijk deel
Het naamwoordelijk deel (nw.deel) bevat een bijvoeglijk of zelfstandig naamwoord dat een eigenschap (streng, docent beeldende kunst) van het onderwerp (De hockeycoach, Sien) geeft.
Het koppelwerkwoord (is, wordt) koppelt de eigenschap aan het onderwerp.
Let op: in zinnen met een naamwoordelijk gezegde staat nooit een lijdend voorwerp.
De stappen
1. Stel vast of er een koppelwerkwoord in de zin staat.
2. Stel vast of het onderwerp iets doet of iets is of wordt.
3. Als het onderwerp iets is/wordt, stel je de vraag: Wat + persoonsvorm + onderwerp + overige werkwoorden? Het antwoord op die vraag is het naamwoordelijk deel.
4. Noteer het naamwoordelijk gezegde: pv + [nw.deel] + overige werkwoorden. Zet het naamwoordelijk deel tussen vierkante haken.
Voorbeeld
Nova / wil / later / een beroemde pianiste / worden.
1 worden = kww
2 Nova wil later iets worden, namelijk een beroemde pianiste.
3 Vraag: Wat wil Nova worden? Antwoord: een beroemde pianiste.
4 ng = wil [een beroemde pianiste] worden
Wat is de regel die je toepast om het hww te vinden als er meerdere ww in de zin staan?
Schrijf de zes belangrijkste kww op.
Wat houdt het werkwoordelijk gezegde in?
persoonsvorm
persoonsvorm + onderwerp
persoonsvorm + voltooid deelwoord
alle werkwoorden uit de zin
Wat houdt het naamwoordelijk gezegde in?
koppelwerkwoord + naamwoordelijk deel
koppelwerkwoord
koppelwerkwoord + een kernmerk of eigenschap van het onderwerp
alle werkwoorden in de zin
Open vragen
Wat is het naamwoordelijk gezegde in de volgende zinnen?
Dat grote meisje leek mij bang.
Tennissen schijnt mij op mooie dagen leuk.
De vakantie leek hem eindeloos.
Die geschiedenis dunkt mij onwaar.
Is dat meisje wel aardig?
Waarom is je rapport zo belangrijk?
Die som bleek helemaal fout.
Dat trillen lijkt wel een aardbeving.
Die man wordt vlug boos.
De winkelier was gisteren heel boos.
Die sommen leken me erg lastig.
Na de diefstal bleek de dief onvindbaar.
Vroeger was mijn oom metselaar.
Daarna werd hij banketbakker.
Het onweer leek ons erg.
Die ziekte bleek ernstig.
In de bossen zijn de wegen smal.
Hij was vorig jaar erg verkouden.
Die bakker werd vorig jaar groenteboer.
De politieagent was woedend.
Na dat standje bleef hij toch vriendelijk.
Je bent wel erg nieuwsgierig.