Les 1 Schrijven: schrijfdoel, doelgroep, (in)formeel, tekst schrijven

Schrijven
4.1 Schrijfdoelen: Korte herhaling
4.2 Doelgroep: Wat is dat? + formeel en informeel taalgebruik
4.4 Tekst schrijven: Inleiding, middenstuk en slot

1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Schrijven
4.1 Schrijfdoelen: Korte herhaling
4.2 Doelgroep: Wat is dat? + formeel en informeel taalgebruik
4.4 Tekst schrijven: Inleiding, middenstuk en slot

Slide 1 - Tekstslide

4.1 Schrijfdoelen
  • Doel dat je wil bereiken met de tekst
  • Waarom? Makkelijker tekst te schrijven + beter te begrijpen voor lezer
  • Voordat je begin met schrijven:
      Informatie verzamelen en deelvragen bedenken > Wat moet lezer weten

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

^ Informeren
^ Activeren
^ Instructie geven
^ Overtuigen
Amuseren >

Slide 4 - Tekstslide

Wat is het schrijfdoel van een
Ikea handleiding:
A
Amuseren
B
Informeren
C
Activeren
D
Instructie geven

Slide 5 - Quizvraag

Wat valt onder het schrijfdoel 'Informeren'?
A
Reclame folder
B
Recensie
C
Nieuwsitem in krant
D
Gebruiksaanwijzing

Slide 6 - Quizvraag

4.2 Doelgroep - wat is dat?
  • = Groep mensen waar voor je schrijft
  • Goed beeld krijgen van doelgroep
  • Onderzoeken
  • Inleven en taalgebruik op afstemmen
  • Tekst wordt doelgerichter en duidelijker

Slide 7 - Tekstslide

Kinderen
Pubers
Mannen
Ouderen
Vrouwen
Zakenmensen

Slide 8 - Tekstslide

Doelgroep

Slide 9 - Woordweb

Bekijk deze
afbeelding
goed....
timer
0:10

Slide 10 - Tekstslide

Voor welke doelgroep is de
advertentie geschreven?
A
Patiënten
B
Buurtbewoners
C
Ouderen
D
Medewerkers

Slide 11 - Quizvraag

4.2 Informeel taalgebruik
  • Niet-zakelijke en lossere manier van schrijven
  • Mensen die je goed kent, vrienden, leeftijdsgenoten
  • Spreekt de lezer aan met 'je'
  • Lijkt op spreektaal > eenvoudigere woorden > niet meer fouten maken!
  • Vb: Ik stuur je zo een reactie op jouw mail

Slide 12 - Tekstslide

4.2 Formeel taalgebruik
  • Zoals gezegd: taalgebruik afstemmen op doelgroep
  • Zakelijke, officiële, plechtige manier van schrijven
  • Mensen die je niet (goed) kent of ouder zijn dan jij
  • Beleefd spreken, 'u' en bv. achternaam gebruiken
  • Vb: We beantwoorden uw mail zo spoedig mogelijk

Slide 13 - Tekstslide

Hoe zou jij een formele brief aan
Anja Jansen beginnen?

Slide 14 - Open vraag

Ik schrijf een e-mail naar mijn broer van 22 jaar. Doe ik dat op een formele of informele manier?
A
Formeel
B
Informeel

Slide 15 - Quizvraag

Een informele tekst lijkt meer op spreektaal
A
Juist
B
Onjuist

Slide 16 - Quizvraag

4.4 Tekst schrijven - inleiding
  • Je begint met de inleiding > aparte alinea
  • Aandacht trekken, aankondigen (vertellen wat je gaat behandelen)
  • Soms geef je je standpunt

Slide 17 - Tekstslide

4.4 Tekst schrijven
  • Opbouw van een 'goede' tekst
  • Inleiding, middenstuk (kern), slot

Slide 18 - Tekstslide

4.4 Tekst schrijven - kern
  • Inleiding geschreven? Nu volgt het middenstuk
  • Je hebt info verzameld & deelvragen bij bedacht (wat moet lezer weten?)
  • Deelvragen uitwerken tot hele alinea's
  • Onderwerp wordt van verschillende kanten bekeken
  • Plaats witregels tussen de alinea's en passende tussenkopjes in tekst

Slide 19 - Tekstslide

4.4 Tekst schrijven - slot
  • Middenstuk geschreven? Nu volgt het slot
  • Komt terug op (vraag uit) inleiding en geeft bv. conclusie, advies
  • Herhaalt vaak het belangrijkste uit tekst
  • Door het slot wordt het verhaal mooi rond

Slide 20 - Tekstslide

Wat kun jij vertellen
over een inleiding?

Slide 21 - Woordweb

Wat is de goede volgorde:
A
Inleiding, slot, kern
B
Kern, inleiding, slot
C
Inleiding, kern, slot
D
Kern, slot, inleiding

Slide 22 - Quizvraag

Wat kun jij vertellen
over het middenstuk?

Slide 23 - Woordweb

Wat schrijf je in het slot?

Slide 24 - Open vraag

Opdrachten
Maak van NuNederlands van het 
Onderdeel Schrijven
1.2 voorbereiden en 1.2 Uitvoeren

Slide 25 - Tekstslide