cross

Steigerungsformen

Die Steigerungsformen des Adjektivs
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
Duitshavo, vwoLeerjaar 2-4

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Die Steigerungsformen des Adjektivs

Slide 1 - Tekstslide

Ziele
  • Je weet wat de overtreffende trap is.
  • Je weet hoe je de stellende, vergrotende en overtreffende trap in het Duits maakt.
  • Je kunt de overtreffende trap als bijvoeglijk naamwoorden gebruiken en zelf toepassen in zinnen.
  • Je weet welke vergelijkingswoorden er in het Duits zijn en de Nederlandse vertalingen. 

Slide 2 - Tekstslide

Overtreffende trap
Je kunt bijvoeglijk naamwoorden vergroten,
zoals lief - liever - het liefst.
Je kent drie niveaus van "overtreffende trap"
1. Positiv = stellende trap.
2. Komparativ = vergrotende trap.
3. Superlativ = overtreffende trap.

Slide 3 - Tekstslide

De overtreffende trap (=Steigerungsformen)

Slide 4 - Tekstslide

Maak de overtreffende trap van de volgende bijvoeglijk naamwoorden.

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Uitzondering (1/4)
A. vergrotende trap valt een -e weg
Wanneer?
-1-> bijvoeglijk naamwoord op -el;
  • dunkel - dunkler - am dunkelsten
-2-> bijvoeglijk naamwoord op -er met klanken -eu- en -au- ervóór.
  • teuer - teurer - am teuersten

Slide 7 - Tekstslide

Uitzondering (2/4)
B. Overtreffende trap met -esten. Wanneer?
-1-> eindigen op een klinker (a, o, au, ...)
  • neu - neuer - am neuesten
-2-> eindigen op een -d of -t
-3-> eindigen op een sis-klank (s, ß, sch, z)
  • weiß - weißer - am weißesten
-4-> klemtoon op laatste lettergreep


Slide 8 - Tekstslide

Uitzonderingen (3/4)
C. Korte bijvoeglijk naamwoorden, die een -a-, -o- of -u- hebben, krijgen vaak in de vergrotende én overtreffende trap een Umlaut.. Let op: NIET allemaal.

  • lang - länger - am längsten
  • jung - jünger - am jüngsten.

Slide 9 - Tekstslide

Uitzonderingen (4/4)
D. Onregelmatige vormen (leer deze!)
  • groß - größer - am größten
  • gut - besser - am besten
  • oft - häufiger - am häufigsten
  • hoch - höher - am höchsten
mehr im Handbuch)

Slide 10 - Tekstslide

De vergrotende en overtreffende trap als bijvoeglijk naamwoord
Je vervoegt de woorden net zoals anders, dus met uitgangen.

X vergrotende trap: -er + uitgang
Waar is de kleinere auto?
= Wo ist das kleinere Auto?

X overtreffende trap: -st + uitgang
Waar is de kleinste auto?
= Wo ist das kleinste Auto?

Slide 11 - Tekstslide

Vergleichungswörter (vergelijkingswoorden)

Slide 12 - Tekstslide

Meine Schwester ist ...
als ich!
A
kleinest
B
kleinerest
C
kleiner
D
klein

Slide 13 - Quizvraag

Dein Buch ist ... als mein Buch.
A
neuere
B
neuer
C
neurer
D
neurer

Slide 14 - Quizvraag

Übersetze ins Deutsche:
Zij koopt meer dan hij.

Slide 15 - Open vraag

Übersetze ins Deutsche:
De villa is groter dan het huis.

Slide 16 - Open vraag

Übersetze ins Niederländische:
Die Weihnachtsferien sind länger als die Herbstferien.

Slide 17 - Open vraag

Ich esse ... Äpfel, aber noch ... Birnen. (gern). Vul alleen de woorden in.

Slide 18 - Open vraag

Geht es dir jetzt ... (gut) als gestern?

Slide 19 - Open vraag

Wo ist es ... in Griechland oder in Schweden?(warm)

Slide 20 - Open vraag

Was ist der ... Gipfel?(hoch, hoogste)

Slide 21 - Open vraag

meer dan genoeg

Slide 22 - Open vraag

jonger dan jij

Slide 23 - Open vraag

het liefst altijd

Slide 24 - Open vraag

Notiere 3 Sachen, die du in der Stunde gelernt hast.

Slide 25 - Open vraag

Diese Frage (1!) habe ich noch zum Thema.

Slide 26 - Open vraag

Hausaufgaben
Digital oder im Buch die Aufgaben machen.
timer
1:00

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide