Jezelf voorstellen in het Frans

Français

V1 - Toets prep - Semaine 24

1 / 31
volgende
Slide 1: Slide
newEditorFrenchEnseignement Secondairel'âge 13

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Français

V1 - Toets prep - Semaine 24

STARTKLAAR Challenge - Was je startklaar na 1 minute ?

1

Naturellement ! (Natuurlijk!)

2

Hmmm Startklaar ? Kesako ? (Wat ?)

3

Presque ! (bijna!)

4

Pas vraiment (Niet echt)

5

Pas du tout ! (Helemaal niet!)

CODE

BLANC

Fluisterend overlegen

De 3 geluidsniveaus

Parlez !

Chut...

écoutez !

Chuchotez !

CODE

BLEU

Helemaal still

CODE

BLANC

Fluisterend overlegen

CODE

ROUGE

Pratend overlegen

Toets prep (schrijven + grammatica)

Jezelf voorstellen in het Frans

Werkwoorden (in -ER en onreglamatig)

Wat moet je nog oefenen voor de toets van volgende week?

Slide text

1) Je kunt jezelf voorstellen in het Frans

2) je kunt een lijst maken van de Franse werkwoorden die je kent (en ze in eenvoudige zinnen vervoegen)

V1 - Toets prep - Semaine 24

Welke werkwoorden herinner je je nog van dit jaar? (bijvoorbeeld => habiter)

Onregelmatige werkwoorden

Er zijn 4 belangrijke onregelmatige Franse werkwoorden.


Welke ?


Geen regels, je moet die leren!



Drag and Drop (werkwoorden)

Regelmatig

in -ER

Onregelmatig

AVOIR = hebben

HABITER = wonen

ÊTRE = zijn

MANGER = eten

Onregelmatige werkwoorden

Die moet je gewoon leren !

Regelmatige -ER werkwoorden

Exemples


aimer

adorer

danser

détester

inviter

jouer

préparer

Werkwoorden in -ER => Hoe werkt dat?

DANSER

ER gaat weg! => ER


je dans_

tu dans__

il / elle dans_

nous dans___

vous dans__

ils / elles dans___

Voorbeeld oefening (zoals in de toets)

avoir - être - aller – faire  (zet de werkwoorden in de juiste vorm !)

  1. … du tennis. Zij doet

  2. … un gâteau pour son anniversaire Zij maken

  3. … au collège. Jullie zijn

  4. … Timothée ? Jij bent

  5. … un appartement à Paris Ik heb

  6. … en France pour les vacances ! Zij gaat

7. … du shopping avec son papa.     Hij doet 

Is dat (werkwoorden) duidelijk en begrepen?

Wat weet jij al over jezelf voorstellen in het Frans?

(Schrijf minstens 3 zinnen)

Begroeten en je naam zeggen

Je m’appelle Madeleine. = Ik heet Madeleine. Je m’appelle Tintin. = Ik heet Kuifje.

Je leeftijd noemen

Aujourd'hui, c'est ton anniversaire !

(Les Minions en vidéo !)


____________________ ans.

= Ik ben dertien jaar.

13


_____________________ ans.

= Ik ben veertien jaar.

14

ATTENTION ! Kies je...


Je suis ? (Ik ben)

of

J'ai ? (Ik heb)

Waar woon jij?

___________ à Amsterdam.

= Ik woon in Amsterdam.


_____________ à Paris.

= Ik woon in Parijs.

Over je school en klas

Je ________________ au collège.

= Ik ga naar de middelbare school.


Je suis ____ _______________________

= Ik zit in de brugklas.

Mon école (collège

et lycée en France !)

Gezinsleden

Je suis fils / fille unique.

= Ik ben enig kind.


______________ = Ik heb een broer.

______________ = Ik heb een zus.

Wat zeggen Timothée et Pauline (Chalamet) ?

Timothée zegt ...

Pauline zegt ...

Heb je huisdieren?


J'ai ____________, ______________ et _____________________ !

Huisdieren

J’ai un chien. = Ik heb een hond.

J’ai un chat et deux chiens. = Ik heb een kat en twee honden.




J'ai un petit poisson rouge !


Il s'appelle six-sept !


Wat vind je leuk en niet leuk?

  • J’aime l’anglais.

  • Je déteste les maths

  • J'adore la biologie !

  • etc.


Meer hobby’s en voorkeuren

J’adore le sport (E.P.S.).

= Ik ben dol op gym.

Je n’aime pas la musique.

= Ik houd niet van muziek.


FAIRE (doen) | JOUER (spelen)


Je fais du hockey - Je fais du piano

Je joue au hockey - Je joue du piano

Wat draag je vandaag?

Spreek met je klasgenoten !


Aujourd’hui, je porte...

= Vandaag draag ik...

  • un jean bleu ... et ....

  • un tee-shirt blanc ...

  • des chaussures ....

  • une veste ...

  • un sac-à-dos ...

Franse afscheidsgroeten

Wat zeg je in het Frans ?


  • Au revoir!

  • ... ?

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.