Spelling NT2-1

Les spelling - 1
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Speciaal OnderwijsLeerroute 1

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Les spelling - 1

Slide 1 - Tekstslide

Werkwoordspelling 2
Wat heb je nodig?
- werkschrift spelling
- laptop
- pen

Slide 2 - Tekstslide

Hij ... het boek saai.
A
vind
B
vindt
C
vinden

Slide 3 - Quizvraag

Kareem ... het boek.
A
lees
B
leez
C
leest
D
leezt

Slide 4 - Quizvraag

De docent ... (wensen) hem veel succes.

Slide 5 - Open vraag

Programma
- wat is een werkwoord?
- wat is de persoonsvorm? 

Slide 6 - Tekstslide

Het werkwoord
Het werkwoord vertelt wat er gedaan wordt. 

De les begint om negen uur. 

Johan klopt op de deur van het lokaal. 

Slide 7 - Tekstslide

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?

Wij ... (luisteren) naar de muziek.
A
luister
B
luistert
C
luisteren

Slide 8 - Quizvraag

Vul de juiste vorm van het werkwoord in:
ik praat - jij praat - wij ...

Slide 9 - Open vraag

Persoonsvorm
De persoonsvorm is een werkwoord.
Hoe vind je de persoonsvorm? 


Slide 10 - Tekstslide

Hoe vind je de persoonsvorm?
1. Enkelvoud naar meervoud
Om zes uur komt Johan thuis - Om zes uur komen Johan en Ahmed thuis. 
2. Verander de tijd
Het eten staat al op tafel - Het eten stond al op tafel. 
3. Maak de zin vragend
Vader leest de krant - Leest vader de krant? 

Slide 11 - Tekstslide

Doen!
Maak oefening 3 en 4 op pagina 5. 
Lees de theorie over de persoonsvorm.
Maak oefening 1 op pagina 6.

Slide 12 - Tekstslide

Klaar? 
Controleer zelf je antwoorden.

Slide 13 - Tekstslide

Oefening 3 - pagina 5
1. vindt                                         6. vraagt, vindt   
2. moppert                                7. heeft             
3. besteedt                               8. wil, werken                 
4. lukken                                     9. wenst
5. verdient                                 10. gaat 


Slide 14 - Tekstslide

oefening 4 - pagina 5
1. vind                              8. fietst
2. wens                           9. heeft 
3. drukt
4. doe
5. zit
6. moet
7. zullen

Slide 15 - Tekstslide

Oefening 1 - pagina 6
1. Om zes uur komt Johan thuis.
2. Het eten staat al op tafel.
3. Zijn moeder kijkt boos.
4. Vader leest een krant.
5. Ze eten vandaag aardappels en spruitjes.
6. Johan trekt een vies gezicht.
7. Hij houdt niet van spruitjes. 
8. Ze zeggen niet veel onder het eten.
9. Johan voelt zich niet op zijn gemak. 
10. Hij denkt aan het gesprek met de rector

Slide 16 - Tekstslide

Klaar?

Slide 17 - Tekstslide

De leerling ... (verhuizen) naar Maastricht.

Slide 18 - Open vraag

De meisjes ... (schrikken) van hun cijfer.

Slide 19 - Open vraag

Misschien ... (gaan) hij morgen weer naar school.

Slide 20 - Open vraag

Misschien ... (gaan) je morgen weer naar school.

Slide 21 - Open vraag