MA4Dutl - Sterke werkwoorden (tegenwoordige tijd & voltooid deelwoord)

MA4Dutl 
Starke Verben im Präsens und im Perfekt
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3,4

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

MA4Dutl 
Starke Verben im Präsens und im Perfekt

Slide 1 - Tekstslide

Lernziele
  • Ik kan aan het einde van de les de sterke werkwoorden in de tegenwoordige tijd vervoegen (= herhaling).

  • Ik weet hoe ik de voltooide tijd van sterke werkwoorden in zinnen  kan toepassen (= leerwerk).

Slide 2 - Tekstslide

Sterke werkwoorden
Hoe herken je sterke werkwoorden?

  • Klinkerverandering in de verleden tijd.
  • Voltooid deelwoord eindigt meestal op -en.

Slide 3 - Tekstslide

Übung macht den Meister!
Präsens = Wiederholung

Slide 4 - Tekstslide

1. Vul de juiste vervoeging in:
Sie (ev) ___ eine Hose.
A
tragt
B
trägt
C
traget
D
trägst

Slide 5 - Quizvraag

2. Ich sehe was, was du nicht ___.
A
sehst
B
siehst
C
sihst
D
sist

Slide 6 - Quizvraag

3. Mein Onkel ___ gut Deutsch.
A
sprecht
B
spriecht
C
spreekt
D
spricht

Slide 7 - Quizvraag

4. (Fahren) du zur Polizei, um Anzeige zu erstatten?

Slide 8 - Open vraag

5. Das Mädchen (stehen) vor dem Eingang.

Slide 9 - Open vraag

6. Welche Spielregeln (gelten) bei Handball?

Slide 10 - Open vraag

7. Herr L (schlafen) drei Wochen in unserem Hotel.

Slide 11 - Open vraag

8. Pass auf! Sonst (brechen) du dir noch das Bein!

Slide 12 - Open vraag

9. Bij sterke werkwoorden verandert de a-klank bij du, er/sie/es in (welke letter(s))?

Slide 13 - Open vraag

10. Bij sterke werkwoorden verandert de korte e-klank bij du, er/sie/es in (welke letter(s))?

Slide 14 - Open vraag

11. Bij sterke werkwoorden verandert de lange e-klank bij du, er/sie/es in (welke letter(s))?

Slide 15 - Open vraag

Übung macht den Meister!
Präsens
Hoe zat het ook alweer?

Slide 16 - Tekstslide

Starke Verben konjugieren
  • Bij sterke werkwoorden met een ‘a’ in de stam verandert de ‘a’ bij du en er / sie es in ‘ä’.
  • Dit gebeurt ook bij het werkwoord 'laufen' in de tegenwoordige tijd.

Opmerking:
Bij halten komt bij du geen extra ‘e’ in de uitgang (du hältst). Bij er / sie / es is de vervoeging stam + Umlaut (er hält).


Slide 17 - Tekstslide

Starke Verben konjugieren
  • Bij sterke werkwoorden met een ‘e’ in de stam verandert de ‘e’ bij du en er/sie/es in een ‘i’ of een ‘ie’. 

  • Wordt de stamklinker uitgesproken als een ‘è’ (zoals in ‘merken’ en ‘werken’), dan wordt de ‘e’ vervangen door een ‘i’.

  • Wordt de stamklinker uitgesproken als een ‘ee’ (zoals in ‘meer’ en ‘weer’), dan wordt de ‘e’ vervangen door een ‘ie’.

Slide 18 - Tekstslide

Starke Verben konjugieren
Uitzonderingen:
  • Bij drie werkwoorden waarvan de stamklinker wordt uitgesproken als een ‘ee’, komt er geen ‘ie’, maar een ‘i’: geben, nehmen en treten. 
       (du gibst, er/sie/es gibt  -  du nimmst, er/sie/es nimmt  -  du trittst, er/sie/es tritt)

  • Bij de volgende drie werkwoorden verandert de klinker helemaal niet: gehen, stehen, bewegen.
      (du gehst, er/sie/es geht  -  du stehst, er/sie/se steht  -  du bewegst, er/sie/es bewegt)

Slide 19 - Tekstslide

Übung macht den Meister!
Perfekt

Slide 20 - Tekstslide

12. Um 7:00 Uhr bin ich _____.
A
aufgestehen
B
aufgestanden
C
geaufstanden
D
aufgesteht

Slide 21 - Quizvraag

13. Herr Lehmann hat mir eine gute Note _____.
A
gegibt
B
gegebt
C
gegeben
D
gegieben

Slide 22 - Quizvraag

14. Ich habe ein Brötchen _____.
A
geessen
B
geesst
C
gegesst
D
gegessen

Slide 23 - Quizvraag

15. Hast du meine Notiz noch _____.
A
geleest
B
gelesen
C
geliesen
D
geliest

Slide 24 - Quizvraag

16. Gestern habe ich mein
Lieblingstier _____.
A
beschrieben
B
beschreiben
C
beschreibt
D
beschriebt

Slide 25 - Quizvraag

17. Ich hätte gern mal
deine Lehrerin _____.
A
gespricht
B
gesprochen
C
gesprechen
D
gespriechen

Slide 26 - Quizvraag

18. Hast du deinen Schlüssel
noch _____.
A
gefinden
B
gefindet
C
gefunden
D
gefanden

Slide 27 - Quizvraag

das Partizip II
  • Het voltooid deelwoord van een sterk werkwoord kun je niet met grammaticaregeltjes afleiden.

  • Je moet het van ieder werkwoord opzoeken en los leren.

  ->   Handbuch S.137 - S.141

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide