• een korte tekst schrijven waarin ik iemand probeer te laten kiezen
Na deze les kan ik:
Slide 2 - Tekstslide
Doel
De leerlingen maken kennis met de leerdoelen van deze les en begrijpen dat zij vandaag zelf een overtuigende tekst gaan schrijven.
Aanwijzingen
Lees de leerdoelen samen hardop. Vertel dat de leerlingen in de vorige les ontdekten hoe een tekst iemand kan overtuigen. Leg uit dat zij vandaag zelf een tekst gaan schrijven waarmee zij iemand proberen iets te laten kiezen of proberen. Vertel dat zij dit stap voor stap gaan doen.
Route A
Laat de leerlingen alleen luisteren. Controleer kort of zij begrijpen wat het doel van de les is.
Route B
Laat de leerlingen in één zin vertellen wat zij vandaag gaan doen.
Route C
Laat de leerlingen uitleggen hoe zij met woorden iemand kunnen overtuigen.
Terugblik
Denk even terug aan de vorige les.
Je las twee teksten over eten.
De ene tekst wilde iets uitleggen.
De andere tekst wilde dat je iets ging doen.
Vraag:
Welke tekst wilde dat je iets ging doen?
Vandaag ga jij dat ook doen.
Je gaat zelf woorden kiezen om iemand iets te laten willen.
Slide 3 - Tekstslide
Doel
De leerlingen halen voorkennis op over de tekstdoelen informeren en overhalen en leggen de verbinding met de nieuwe les.
Aanwijzingen
Vraag de leerlingen terug te denken aan de vorige les. Laat hen benoemen welke twee teksten zij hebben gelezen en wat het doel van beide teksten was. Bespreek daarna welke tekst ervoor zorgde dat de lezer iets wilde doen. Leg uit dat zij vandaag zelf woorden gaan kiezen om een lezer ergens enthousiast voor te maken of te overtuigen.
Antwoord
De reclame over stamppot. Deze tekst wilde de lezer de stamppot laten proberen.
Route A
Geef een korte samenvatting van de twee teksten voordat leerlingen antwoord geven.
Route B
Laat leerlingen zelfstandig het juiste antwoord geven en toelichten.
Route C
Vraag leerlingen te benoemen welke woorden uit de reclame ervoor zorgden dat zij de stamppot wilden proberen.
Denk aan eten of drinken dat jij lekker vindt.
Beantwoord deze vragen mondeling:
• Wat eet of drink jij graag?
• Wanneer eet of drink je dat?
• Zou jij dit aan iemand aanraden?
Probeer in hele zinnen te antwoorden.
Even praten .....
Slide 4 - Tekstslide
Doel
De leerlingen praten over hun eigen voorkeuren en bereiden zich voor op het schrijven van een overtuigende tekst.
Aanwijzingen
Laat de leerlingen eerst kort nadenken over eten of drinken dat zij lekker vinden. Bespreek daarna de drie vragen in tweetallen of klassikaal. Stimuleer de leerlingen om in hele zinnen te antwoorden en door te vragen. Vertel dat zij straks een tekst gaan schrijven waarin zij iemand proberen enthousiast te maken voor eten of drinken.
Route A
Geef een voorbeeldantwoord en schrijf eventueel een handige beginzin op het bord, zoals: Ik eet graag... of Ik zou dit aanraden, omdat...
Route B
Laat leerlingen de vragen in hele zinnen beantwoorden en kort toelichten.
Route C
Vraag leerlingen hun klasgenoot te overtuigen waarom juist hun gekozen eten of drinken de beste keuze is.
Je gaat straks een tekst schrijven over eten of drinken.
Je schrijft niet zomaar iets.
Je schrijft met een doel.
Je wilt dat de lezer na het lezen denkt: Dit wil ik proberen!
Dat betekent:
• je kiest woorden die het eten aantrekkelijk maken,
• je vertelt waarom het goed of lekker is,
• je helpt de lezer een keuze maken.
Dit is het doel van je tekst.
Slide 5 - Tekstslide
Doel
De leerlingen begrijpen dat zij een tekst schrijven met een duidelijk doel en leren welke taal daarbij past.
Aanwijzingen
Lees de theorie samen door. Bespreek dat een schrijver altijd een doel heeft. Leg uit dat de leerlingen in deze les de lezer willen laten denken: Dit wil ik proberen! Bespreek hoe woordkeuze daarbij helpt. Vraag welke woorden uit de vorige les iemand enthousiast maakten, zoals lekker, perfect of gezond. Vertel dat zij deze strategie straks zelf gaan gebruiken.
Route A
Lees de theorie samen hardop en licht moeilijke woorden toe, zoals aantrekkelijk en keuze.
Route B
Laat leerlingen in eigen woorden uitleggen wat het doel van hun tekst is.
Route C
Vraag leerlingen voorbeelden te noemen van woorden die een lezer enthousiast maken en laat hen uitleggen waarom deze woorden goed passen bij een overtuigende tekst.Doel
De leerlingen begrijpen dat zij een tekst schrijven met een duidelijk doel en leren welke taal daarbij past.
Aanwijzingen
Lees de theorie samen door. Bespreek dat een schrijver altijd een doel heeft. Leg uit dat de leerlingen in deze les de lezer willen laten denken: Dit wil ik proberen! Bespreek hoe woordkeuze daarbij helpt. Vraag welke woorden uit de vorige les iemand enthousiast maakten, zoals lekker, perfect of gezond. Vertel dat zij deze strategie straks zelf gaan gebruiken.
Route A
Lees de theorie samen hardop en licht moeilijke woorden toe, zoals aantrekkelijk en keuze.
Route B
Laat leerlingen in eigen woorden uitleggen wat het doel van hun tekst is.
Route C
Vraag leerlingen voorbeelden te noemen van woorden die een lezer enthousiast maken en laat hen uitleggen waarom deze woorden goed passen bij een overtuigende tekst.
Voordat je gaat schrijven, denk je eerst na.
Gebruik dit plan.
Schrijf nog geen zinnen.
Schrijf losse woorden.
Deze woorden gebruik je straks in je tekst.
schrijfplan
stap 1
stap 2
stap 3
Wat is het?
(eten of drinken, wanneer eet je het)
Waarom is het goed of lekker?
(smaak, warm of koud, gezond, snel)
Waarom moet iemand dit proberen?
(wat maakt dit beter dan iets anders)
Slide 6 - Tekstslide
Doel
De leerlingen verzamelen ideeën en woorden voor een overtuigende tekst voordat zij gaan schrijven.
Aanwijzingen
Leg uit dat goede schrijvers eerst een schrijfplan maken. Laat de leerlingen stap voor stap de drie vakken invullen met losse woorden. Benadruk dat zij nog geen zinnen schrijven. Loop rond en stel vragen die leerlingen helpen hun ideeën verder uit te werken. Vertel dat zij deze woorden straks gebruiken bij het schrijven van hun tekst.
Route A
Bedenk samen een voorbeeld, zoals pizza of smoothie, en vul het schrijfplan gezamenlijk in.
Route B
Laat leerlingen zelfstandig een onderwerp kiezen en het schrijfplan invullen.
Route C
Vraag leerlingen extra woorden te bedenken die hun onderwerp aantrekkelijk maken en waarmee zij de lezer kunnen overtuigen.
Op jouw school wordt elke maand één gerecht extra onder de aandacht gebracht in de schoolkantine.
Deze maand kies jij een gerecht.
Je schrijft een korte tekst om dit gerecht in het zonnetje te zetten. Je tekst komt op een poster of een bord in de schoolkantine.
Na het lezen moet iemand denken: Dit wil ik proberen!
Zo pak je het aan:
• Schrijf 6 tot 8 zinnen.
• Vertel wat het is.
• Gebruik woorden die laten zien waarom het goed of lekker is.
• Gebruik minstens één vergelijking (bijvoorbeeld: lekkerder dan …).
Denk steeds: Welke woorden zorgen ervoor dat iemand dit wil proberen?
Stel je voor...
Slide 7 - Tekstslide
Doel
De leerlingen begrijpen de schrijfopdracht en weten aan welke eisen hun overtuigende tekst moet voldoen.
Aanwijzingen
Lees de opdracht stap voor stap door. Bespreek de situatie en controleer of de leerlingen begrijpen voor wie zij schrijven en wat het doel van de tekst is. Neem de schrijfeisen samen door. Leg vooral uit wat een vergelijking is en geef een voorbeeld, zoals lekkerder dan chips of frisser dan frisdrank. Benadruk dat de lezer na het lezen moet denken: Dit wil ik proberen!
Route A
Bespreek samen een mogelijk onderwerp en geef voorbeelden van woorden en vergelijkingen die de tekst aantrekkelijk maken.
Route B
Laat leerlingen de opdracht zelfstandig lezen en controleer of alle onderdelen van de opdracht duidelijk zijn.
Route C
Vraag leerlingen alvast na te denken over welke woorden, voorbeelden en vergelijkingen hun tekst het meest overtuigend maken.
Je gaat nu je tekst delen met je klasgenoten.
Luister naar de tekst van een klasgenoot.
Vraag jezelf af: zou ik dit gerecht willen proberen?
Vertel kort:
• ja of nee, en
• waarom.
Gebruik woorden uit de tekst in je antwoord.
Slide 8 - Tekstslide
Doel
De leerlingen geven elkaar feedback op een overtuigende tekst en onderbouwen hun mening.
Aanwijzingen
Laat de leerlingen hun tekst voorlezen aan een klasgenoot of in kleine groepjes. De luisteraar bepaalt of hij of zij het gerecht zou willen proberen en geeft daarbij een korte uitleg. Stimuleer de leerlingen om woorden uit de tekst te gebruiken in hun feedback. Benadruk dat feedback helpt om een tekst sterker te maken.
Route A
Geef een voorbeeld van feedback, zoals: Ja, ik wil dit proberen, omdat je goed uitlegt waarom het lekker is.
Route B
Laat leerlingen elkaar zelfstandig feedback geven en hun antwoord kort toelichten.
Route C
Vraag leerlingen een tip te geven waarmee de tekst nog overtuigender wordt, bijvoorbeeld door een sterkere woordkeuze of een betere vergelijking.
Welke woorden heb jij gebruikt om te overtuigen?
Je kunt nu:
☐ woorden kiezen om iemand iets te laten willen,
☐ zien dat woordkeuze verschil maakt,
☐ schrijven met een duidelijk doel.
Slide 9 - Tekstslide
Doel
De leerlingen reflecteren op hun woordkeuze en beoordelen of zij een overtuigende tekst met een duidelijk doel hebben geschreven.
Aanwijzingen
Laat de leerlingen hun tekst nog eens bekijken. Vraag welke woorden zij hebben gebruikt om de lezer te overtuigen. Bespreek enkele voorbeelden klassikaal en laat leerlingen uitleggen waarom deze woorden goed werken. Loop daarna samen de leerdoelen door en laat de leerlingen bedenken welke zij nu beheersen.
Route A
Help leerlingen geschikte woorden in hun tekst aan te wijzen, zoals lekker, gezond, vers of knapperig.
Route B
Laat leerlingen zelfstandig vertellen welke woorden zij bewust hebben gekozen en waarom.
Route C
Vraag leerlingen uit te leggen welk woord of welke zin volgens hen het meest overtuigend is en hoe zij hun tekst eventueel nog sterker zouden kunnen maken.