Waterproblemen en herhaling Hoofdstuk 4

Natuur moet meer ruimte krijgen
- Klimaatveranderingen
- Stijging zeespiegel
- Winter: Warmer en natter
- Zomer: Warmer en droger
- Neerslag onvoorspelbaarder

In korte tijd teveel water -> Wateroverlast
1 / 55
volgende
Slide 1: Tekstslide
AardrijkskundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 55 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 10 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Natuur moet meer ruimte krijgen
- Klimaatveranderingen
- Stijging zeespiegel
- Winter: Warmer en natter
- Zomer: Warmer en droger
- Neerslag onvoorspelbaarder

In korte tijd teveel water -> Wateroverlast

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Bodem daling

Slide 3 - Tekstslide

Dijk verhogen

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

Op welke 2 manieren ontstaat Verzilting?

Slide 8 - Woordweb

Hoe komt het zoutewater Zuid & Noord-Holland in?

Slide 9 - Woordweb

Wat zijn duurzame oplossingen?

Slide 10 - Woordweb

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Video

Afsluiting hoofdstuk 4 Leefomgeving Wateroverlast

Slide 13 - Tekstslide

Toetsstof
- §4.1 tm 4.4 

Denk aan: 
- Opdrachten in opdrachtenboek / BuiteNLand
- Aantekeningen / samenvattingen / mindmap ed
- Lessonup / Powerpoint
- Begrippen / Leerdoelen achterin het boek

Slide 14 - Tekstslide

Leerdoelen 4.1 Rivieren
  • Ik weet dat het overstromingsgevaar samenhangt met de ruimtelijke inrichting, zowel binnen- als buitendijks.
  • Ik weet hoe je een rivier kunt indelen in een lengte- en dwarsprofiel.
  • Ik ken de kenmerken van de stroomgebieden van Rijn en Maas.
  • Ik weet dat de grootse overstromingsrisico’s ontstaan bij een combinatie van springtij, noordwesterstorm en piekafvoeren van de rivieren.
  • Ik begrijp dat klimaatverandering bijdraagt aan een onregelmatiger regiem van de rivieren.
  • Ik begrijp dat menselijk ingrijpen in het stroomgebied leidt tot een onregelmatiger regiem, verkorting van de vertragingstijd en een verhoogde piekafvoer

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Video

Slide 17 - Video

Slide 18 - Video

Leerdoelen 4.2 De Kust
  • Ik weet hoe de Nederlandse kust is opgebouwd.
  • Ik weet op welke manier de mens heeft ingegrepen in het kustgebied.
  • Ik begrijp dat bij (noord)westerstorm het IJsselmeergebied en de Zuidwestelijke Delta het overstromingsrisico groot is.

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Video

Leerdoelen 4.3 Rivieren: adaptief deltamanagement
  • Ik weet met welke maatregelen we de rivier meer ruimte geven.
  • Ik weet om welke twee redenen men het peil van het IJsselmeer flexibel wil houden.
  • Ik weet waarom men na 1995 anders is gaan denken over het overstromingsgevaar van de rivieren.
  • Ik weet welke maatregelen worden genomen in het Deltaprogramma.
  • Ik begrijp dat maatregelen om het regiem van een rivier te beheersen over het hele stroomgebied moeten gaan en niet alleen over de rivier zelf.
  • Ik begrijp dat door de zeespiegelstijging het spuien op zee steeds moeilijker wordt.
  • Ik begrijp waarom het belangrijk is strategische zoetwatervoorraden aan te leggen.
  • Ik begrijp op welke manier elk van de maatregelen van “Ruimte voor de Rivier” van invloed kunnen zijn op de veiligheid in het rivierengebied.
  • Ik kan relaties leggen tussen klimaatsverandering en menselijk ingrijpen aan de ene kant en het toegenomen risico op overstromingen en wateroverlast aan de andere kant.
  • Ik kan de gevolgen van een ingreep uit het integraal waterbeleid voor gebieden op verschillende schaal (lokaal, regionaal en fluviaal) en vanuit verschillende dimensies (veiligheid, natuur en economie) beschrijven en verklaren.

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Video

Slide 23 - Video

Slide 24 - Video

Leerdoelen 4.4 De kust: zacht waar het kan, hard waar het moet
  • Ik weet op welke manier de opbouw en afbraak aan onze kust wordt beïnvloed door natuurlijke- en menselijke factoren.
  • Ik begrijp hoe natuurlijke factoren, menselijke factoren en klimaatsverandering de opbouw en afbraak aan de Nederlandse kust beïnvloeden.
  • Ik begrijp waarom in het deltaprogramma gekozen wordt voor adaptief watermanagement.
  • Ik begrijp dat bij (noord)westerstorm het IJsselmeergebied en de Zuidwestelijke Delta het overstromingsrisico groot is.
  • Ik kan de gevolgen van een ingreep uit het integraal waterbeleid voor gebieden op verschillende schaal (lokaal, regionaal en fluviaal) en vanuit verschillende dimensies (veiligheid, natuur en economie) beschrijven en verklaren.

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Video

Welke vragen hebben jullie over de lesstof?

Slide 27 - Open vraag

Al het water in sloten, kanalen, rivieren en meren noem je ... ?
A
Zichtwater
B
Oppervlaktewater
C
Brak water
D
Grondwater

Slide 28 - Quizvraag


Slide 29 - Open vraag

Waar of niet waar? Het gebied tussen de zomer- en winterdijk worden uiterwaarden genoemd.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 30 - Quizvraag

Waar is een geschikte plaats voor een nevengeul?

Slide 31 - Open vraag

Wat is het "debiet" van een rivier?
A
HOEVEELHEID WATER PER JAAR
B
STROOMSNELHEID WATER OP EEN BEPAALD PUNT GEMETEN
C
HOEVEELHEID WATER PER SECONDE BIJ BEPAALD PUNT
D
OVERZICHT VAN WATERHOEVEELHEID PER MAAND

Slide 32 - Quizvraag

Waarom draagt ontbossing bij aan wateroverlast?
A
Bossen verdampen meer
B
Bossen houden water vast
C
Bossen verdampen minder
D
Bossen hebben niets te maken met wateroverlast

Slide 33 - Quizvraag

Hoe zorgen de begroeiing ( antwoord 1) en de temperatuur (antwoord 2) voor minder water in de Rijn als het zomer is?

Slide 34 - Open vraag


Slide 35 - Open vraag

Een gemengde rivier is een rivier die ... ?
A
Zijn water krijgt van regen- en smeltwater
B
Die zowel zoet als brak water heeft
C
Door twee of meer landen stroomt
D
Zijn water krijgt van grijs- en zwart water

Slide 36 - Quizvraag


Slide 37 - Open vraag

Bijna elke vraag kun je beantwoorden op diverse schaalniveaus.
Welk schaalniveau heeft betrekking op het stroomgebied van een rivier?
A
fluviaal
B
continentaal
C
internationaal
D
regionaal

Slide 38 - Quizvraag

Wat betekent de "waterbalans"
A
De hoeveelheid water die is er in een gebied
B
De hoeveelheid water die verdampt
C
Het verschil tussen de neerslag en de verdamping
D
Alle antwoorden zijn goed

Slide 39 - Quizvraag

Een regenrivier vervoert het meeste water in de....................................
A
zomer
B
winter

Slide 40 - Quizvraag

De stroomsnelheid beïnvloedt hoeveel erosie en sedimentatie er plaatsvindt.

Waar staat de juiste letter uit de bron bij de grootste sedimentatie
A
P
B
Q
C
R
D
S

Slide 41 - Quizvraag

De stroomsnelheid beïnvloedt hoeveel erosie en sedimentatie er plaatsvindt.

Waar staat de juiste letter uit de bron bij de grootste erosie?
A
P
B
Q
C
R
D
S

Slide 42 - Quizvraag

In de bovenloop zijn de hoogteverschillen groot, vandaar een hoge stroomsnelheid en erosie.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 43 - Quizvraag

Waar stroomt het water het snelst?
A
Middenloop
B
Benedenloop
C
Bovenloop
D
Achterloop

Slide 44 - Quizvraag

Bij een westerstorm wordt het water vanuit zee ver de Nieuwe Waterweg opgestuwd.
Welke term hoort hierbij?
A
Adaptatie
B
Fluviaal
C
Verzilting
D
Hoofdwatersysteem

Slide 45 - Quizvraag

Bij de aanleg van natuurlijke oevers werken de rijksoverheid en het waterschap Zuiderzeeland nauw samen.
Welke term hoort hierbij?
A
Adaptatie
B
Fluviaal schaalniveau
C
Integraal waterbeleid
D
Ruimte voor de rivier

Slide 46 - Quizvraag

Langs de Waal zijn de kribben verlaagd en de uiterwaarden vergraven.
Welke term hoort hierbij?
A
Ruimtelijke Adaptatie
B
Fluviaal schaalniveau
C
Integraal waterbeleid
D
Ruimte voor de rivier

Slide 47 - Quizvraag

Door de verstedelijking van Nederland zijn er steeds meer straten en daken. Neerslag komt direct in het riool.

Wat is het verband tussen deze verstening en de vertragingstijd?


Slide 48 - Open vraag

Sleep de begrippen op de juiste plaats!
Uiterwaard
Zomerdijk
Winterdijk
Vaargeul

Slide 49 - Sleepvraag

Hoe noem je het verschijnsel als er extreem hoog water is.
A
Doodtij
B
Springtij
C
Getij
D
Noodtij

Slide 50 - Quizvraag

Nederland heeft drie typen zachte kusten. De waddenkust in het noorden van Nederland is er daar één van.
Noteer de andere twee typen zachte kust op je antwoordblad.
Geef voor elk van deze typen zachte kust aan waar deze in Nederland voorkomen.

Slide 51 - Open vraag

Zachte kust
Harde kust
Stranden
Duinen
Zandplaten
Zeedijken
Boulevar

Slide 52 - Sleepvraag

Langsdammen zijn dammen die langs de rivier liggen. Deze hebben ten opzichte van kribben een voordeel bij stap drie uit de drietrapsstrategie.
Leg dit uit.
Je antwoord moet een oorzaak-gevolgrelatie bevatten.

Slide 53 - Open vraag

Rond het jaar 2000 werd de oude dijk in Katwijk aan Zee aangemerkt als een zwakke schakel langs de kust.
Geef aan waarom het versterken van deze zwakke schakel van nationaal belang was.

Slide 54 - Open vraag

Bij de nieuwe zeewering bij Katwijk aan Zee zijn zowel harde als zachte kustwering gecombineerd.
Beredeneer waarom bij Katwijk aan Zee deze twee vormen van kustbeheer gecombineerd zijn.

Slide 55 - Open vraag