Les 23 juni

Vandaag
Opwarmer
Herhalen - Het weer
Werkwoorden
woord voor woord - koffie of thee?
gesprekjes oefenen
woordenschat


1 / 76
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Enseignement Secondaire

In deze les zitten 76 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Vandaag
Opwarmer
Herhalen - Het weer
Werkwoorden
woord voor woord - koffie of thee?
gesprekjes oefenen
woordenschat


Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opwarmer
https://jeugdjournaal.nl/artikel/2619731-wat-is-de-populairste-vakantiebestemming-voor-in-de-zomer

apotheek = pharmacy

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

It's sunny = Het is zonnig
The sun is shining = de zon schijnt

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

cloud - wolk
it's cloudy - het is bewolkt

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

rain  = regen
it is raining = Het regent
It's a rainy day - het is regenachtig

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Rainbow = regenboog

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Werkwoorden
https://play.kahoot.it/v2/*?quizId=5bc90a0f-60a4-4f03-b7d6-14f4ffb2f118
Tegenstellingen
https://play.kahoot.it/v2/?quizId=2d110620-fa2c-4635-8bfc-bcde15571a88&hostId=e2828d0c-5664-4548-bb5f-d925bb8f2e04

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 12 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Wil je iets drinken?
Een kopje koffie? - Nee.
Een kopje thee? - Ja.
Ik wil een kopje thee.
Wil je ook suiker? - Ja, lekker.
Hoeveel suiker? - Een beetje.
Wil je ook melk? - Ja, lekker.
Hoeveel melk? - Weinig melk.
Ik pak het kopje.
Ik doe de thee in het kopje.
Ik doe de suiker in het kopje.
Ik doe de melk in het kopje.
Ik pak de thee. Ik drink de thee.
Mmmm, lekker!
Doe het zelf!
Slepen
Woord voor woord
geen
weinig
een beetje
hoeveel?
lekker
veel

Slide 13 - Sleepvraag

Doe het zelf is een TPR oefening om met de leerlingen samen te doen. De docent doet voor en de leerlingen doen het na.

de suiker
Woord voor woord
A
B
C
D

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


de melk
Woord voor woord
A
B
C
D

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


het kopje
Woord voor woord
A
B
C
D

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


de thee
Woord voor woord
A
B
C
D

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


de koffie
Woord voor woord
A
B
C
D

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


de kan
Woord voor woord
A
B
C
D

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Werkwoorden
Zelfstandige naamwoorden
Overige woorden
drink - drinken - drinkt
zet (neer) - zetten - zet
wil - willen - hij wil 
kom - komen - hij komt
ga - gaan - gaat
de suiker
de melk
het kopje
de kan
de koffie
de thee
lekker
geen
wat
of
hoeveel
veel - weinig
een beetje
De woorden van Les 4
Woord voor woord

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leer de zin(nen) van les 4
Wil je .. ?
Wat is dat?
Hoeveel ... wil je?
Woord voor woord

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefenen de dokter

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Goedemorgen!
..............................
Wat kan ik voor u doen?
..............................
Wat zijn uw klachten?
.............................
Heeft u ook koorts?

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

............................
Ik ga u onderzoeken.
............................
U heeft griep. Hier heeft u een recept.
.............................
Beterschap!

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefenen het restaurant

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ober: Hallo,
                        
                     Jij: ................................................................................

Ober: Ja, hier is een tafel bij het raam.

                Jij: ................................................................................

Ober: Natuurlijk, alstublieft. Wat wilt u drinken?
                                  

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


                                 Jij: .............................................

Ober: Wilt u ook wat eten?

                                   Jij: ...........................................................

Ober: alstublieft uw cola en uw broodje.

                                   Jij: ....................

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefenen de kledingwinkel

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verkoper: Goedemorgen, kan ik u helpen?
 
              Jij: .......................................................................................

Verkoper: Welke maat heeft u?
 
                                            Jij: ............................................

Verkoper: Welke kleur vindt u mooi?
 
                    
Verkoper: Ik heb deze ….. voor u. Wilt u hem passen?
 Jij: Ja graag.
Verkoper: Zit de … goed?
 Jij: Ja, ik koop ……!

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

                         
                        Jij: .......................................................................

Verkoper: Ik heb deze trui voor u. Wilt u hem passen?

                        Jij: .......................................................

Verkoper: Zit de trui goed?
 
                        Jij: .......................................................

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Thema 3 Bellen en mailen

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

het gesprek
  • twee of meer mensen praten met elkaar 
  • synoniem: de conversatie
  • een gesprek voeren/hebben
  • het gesprek -   de gesprekken 
  • zin: Ik heb morgen een gesprek.

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

de gemeente
  • stuk land + een stad en dorpen in de buurt
  • de burgemeester is de baas, hij/zij bestuurt de gemeente.
  • de gemeente - de gemeenten 
  • zin: Ik woon in de gemeente      Den Helder.

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

halen
  • meenemen naar hier 
  • werkwoord: ik haal - wij halen
  • zin: Ik haal mijn zusje van school.
  • zin: Zij haalt haar boek uit de tas.
  • zin: Wij halen patat, lekker!

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

(de) keer 
  • 1. maal (x) bij een  vermenigvuldiging
  • 2. tijdstip waarop iets gebeurt
  • zin: Wij hebben twee keer pauze. 
  • zin: Deze keer winnen wij!
  • zin: 15 x 43 = 

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

laat
  • 1. niet op tijd
  • 2. tijd gaat sneller dan je dacht
  • geen fijn gevoel
  • zin: Ik ben te laat op school.
  • zin: De docent gaat laat naar huis.

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

de ochtend
  • begin van de dag/ 's ochtends
  • dagdeel: 06:00 - 12:00 uur
  • tussen nacht en middag
  • synoniem: de morgen
  • de ochtend - de ochtenden
  • zin: Deze ochtend is erg koud. 
  • zin: Ik zeg goedemorgen, niet goedeochtend.

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een gemeente is .................
A
een stuk land met een stad en dorpen.
B
een dorp
C
een rivier
D
een stad

Slide 38 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wie bestuurt de gemeente?
A
de koning
B
De politieagent
C
de minister-president
D
de burgemeester

Slide 39 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In welke gemeente woon jij?
timer
0:30

Slide 40 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Twee mensen praten. Zij hebben een ..........
A
afspraak
B
wedstrijd
C
gesprek
D
conversatie

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vul het goed woord in.

Ik heb mijn huiswerk niet gedaan, nu wil mijn leraar een ............... voeren met mij.
A
feestje
B
gesprek
C
conversatie
D
contract

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een synoniem voor het woord:
halen

Slide 43 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf een goede zin bij dit plaatje. Gebruik het woord: halen
timer
1:00

Slide 44 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Het woord 'keer' hoort bij

A
een plaats
B
een vermenigvuldiging
C
een optel som
D
een tijdstip

Slide 45 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Maak een zin met het woord:
keer

Slide 46 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Het woord 'laat' hoort bij..............
A
plaats
B
tijd

Slide 47 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zegt jouw leraar wanneer je laat in de klas bent?
A
Alweer laat!
B
Kom op tijd!
C
Vertrek eerder van huis!
D
Niet meer te laat komen!

Slide 48 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De ochtend is een dagdeel.
Welke tijden zijn dat?
A
00:00 - 06:00 uur
B
06:00-12:00 uur
C
12:00 - 18:00 uur
D
18:00 - 24:00 uur

Slide 49 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Als ik naar school ga is het ....................
A
ochtend
B
nacht
C
avond
D
middag

Slide 50 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het synoniem voor :
de ochtend
A
de avond
B
's ochtends
C
de dag
D
de morgen

Slide 51 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Quiz over Nederland
Quiz over Nederland
Quiz over Nederland

Slide 52 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel procent van
de Nederlanders spreekt Engels?
Hoeveel procent van
de Nederlanders spreekt Engels?
A
53%
B
90%
C
85%
D
34%

Slide 53 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe heet dit typisch Nederlandse eten?
Hoe heet dit typisch
Nederlandse eten?
A
beschuit met muisjes
B
beschuit met hagelslag
C
beschuit met dropjes
D
beschuit met hopjes

Slide 54 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel kaas eet een Nederlander gemiddeld per jaar?
Hoeveel kaas eet een
Nederlander gemiddeld per jaar? 
A
17 kilo
B
8 kilo
C
23 kilo
D
2 kilo

Slide 55 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel kilometer fietst een Nederlander per jaar gemiddeld?
Hoeveel kilometer fietst een
Nederlander per jaar gemiddeld?
A
400 km
B
750 km
C
1000 km
D
1100 km

Slide 56 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waar komt de tulp vandaan?
Waar komt de tulp vandaan?
A
uit Nederland
B
uit Brazilië
C
uit Turkije
D
uit Frankrijk

Slide 57 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Van welke Nederlandse schilder zijn De 5 zintuigen (the 5 senses)?
Van welke Nederlandse schilder
zijn De 5 zintuigen (the 5 senses)?
A
Vincent Van Gogh
B
Rembrandt van Rijn
C
Johannes Vermeer
D
Frans Hals

Slide 58 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de grootste haven (harbour) van Nederland?
Wat is de grootste haven
(harbour) van Nederland?
A
de haven van Amsterdam
B
de haven van Rotterdam
C
de haven van Texel
D
de haven van IJmuiden

Slide 59 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De uitvinder van Bluetooth is een Nederlander.
De uitvinder van Bluetooth
is een Nederlander.
A
waar
B
niet waar

Slide 60 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De oudste universiteit van Nederland is in..........
De oudste universiteit
van Nederland is in...
A
Amsterdam
B
Utrecht
C
Groningen
D
Leiden

Slide 61 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel fietsen zijn er in Nederland?
Hoeveel fietsen zijn er in Nederland?
A
11 miljoen
B
24 miljoen
C
31 miljoen
D
15 miljoen

Slide 62 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke Nederlandse stad heeft GEEN vliegveld (airport)?
Welke Nederlandse stad heeft GEEN vliegveld (airport)?
A
Amsterdam
B
Rotterdam
C
Utrecht
D
Eindhoven

Slide 63 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel % van Nederland ligt onder zeeniveau?
Hoeveel % van Nederland
ligt onder zeeniveau?
A
5%
B
9%
C
13%
D
26%

Slide 64 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe heet dit typisch Nederlandse eten?
Hoe heet dit typisch
Nederlandse eten?
A
vleesballen
B
gehaktballen
C
bitterballen
D
krokantballen

Slide 65 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel mensen wonen er ongeveer in Nederland?
Hoeveel mensen wonen
er ongeveer in Nederland?
A
15 miljoen
B
17 miljoen
C
12 miljoen
D
20 miljoen

Slide 66 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent: "je ziet door de bomen het bos niet meer"?
Wat betekent:
"je ziet door de bomen het bos niet meer"?
A
Je hebt een bril nodig (you need a pair of glasses)
B
Je bent verdwaald (you're lost)
C
Je bent het overzicht kwijt, er is té veel informatie (you've lost the overview, there's too much information)
D
Advies of aanwijzing geven die niet klopt (giving someone advice or directions that are incorrect)

Slide 67 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Nederland is het land met de meeste regen (most rain) in Europa
Nederland is het land met de meeste regen (most rain) in Europa.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 68 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent: "ik kijk de kat uit de boom"?
Wat betekent:
"ik kijk de kat uit de boom"?
A
Ik heb veel geduld (I have a lot of patience)
B
Ik wacht voordat ik actie neem (I wait before taking action)
C
Ik ben nieuwsgierig (I'm curious)
D
Ik vertel iets ongeloofwaardigs (I am saying something that's implausible)

Slide 69 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wie feliciteren we bij een verjaardagsfeest in Nederland?
Wie feliciteren we bij een
verjaardagsfeest in Nederland?
A
iedereen
B
de ouders van de jarige
C
de partner van de jarige
D
we feliciteren alleen de jarige

Slide 70 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Nederland betekent letterlijk:
Nederland betekent letterlijk:
A
Laag (low) land
B
Water land
C
Hout (wood) Land
D
Zee land

Slide 71 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat eten Nederlanders met Oud & Nieuw?
Wat eten Nederlanders met Oud & Nieuw?
A
erwtensoep
B
bitterballen
C
oliebollen
D
haring

Slide 72 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk dier is sinds 2015 terug (back) in Nederland?
Tekst
Welk dier is sinds 2015 terug
(back) in Nederland?
A
B
C
D

Slide 73 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waar is de oudste vuurtoren (oldest lighthouse) van Nederland??
Waar is de oudste vuurtoren (oldest lighthouse) van Nederland??
A
Rotterdam
B
Terschelling
C
Katwijk
D
Zandvoort

Slide 74 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent: "Laten we de bloemetjes buiten zetten?"
Wat betekent:
"laten we de bloemetjes buiten zetten"?
A
Laten we een feestje geven!
B
Het gaat goed met ons!
C
De zon schijnt, we gaan naar buiten.
D
Het eerste erbij zijn.

Slide 75 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Les 23 juni

Slide 76 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies