S.O. Paragraaf 1 en 2 H. 2 (Tijdvak 7)

    Geschiedenis onderbouw       

Geschiedeniswerkplaats 2 mavo

Toets 2.1 De Pruikentijd en 2.2 Revolutie in Frankrijk


1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

    Geschiedenis onderbouw       

Geschiedeniswerkplaats 2 mavo

Toets 2.1 De Pruikentijd en 2.2 Revolutie in Frankrijk


Slide 1 - Tekstslide

Toetsinformatie:
Toestnorm: Klein-1X 
Niveau: 2 mavo
Boek: Hfst. 2 Paragraaf 1 en 2
Onderwerp: Tijdvak 7: Pruiken en Revoluties
Vragen: 15
Punten: 45
Cijfer: Aantal behaalde punten delen door 45: 4,5= Cijfer

Slide 2 - Tekstslide

Belangrijke aspecten in deze paragrafen en doel van de toets:
 
1 ‘Verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.
2: De aanloop, ontwikkeling en gevolgen van de Franse Revolutie.

Slide 3 - Tekstslide

Zet ´m op!



Neem je tijd en doe je best!

Slide 4 - Tekstslide

Paragraaf 1: De Pruikentijd!

Slide 5 - Tekstslide

Deze toets gaat over het tijdvak Pruiken & Revoluties.

Wanneer eindigt dit tijdvak?
A
Rond 1600
B
Rond 1700
C
Rond 1800
D
Rond 1900

Slide 6 - Quizvraag

1e Stand
2e Stand
3e Stand
geestelijken
adel
boeren en burgers
Betaalt belasting 
grootgrondbezitters
woont een groot deel van het jaar op paleis Versailles

Slide 7 - Sleepvraag

Lees de vier zinnen over de tijd van pruiken en revoluties. Welke zinnen zijn juist?

1 De pruik werd gedragen door rijke en aanzienlijke mannen.
2 Met de pruikentijd wordt de tweede helft van de 18e eeuw bedoeld.
3 Nederland werd economisch ingehaald door Groot-Brittannië en Frankrijk.
4 Europese landen hadden geen standenmaatschappij in de 18e eeuw.
A
Zin 1 en 3
B
Zin 2, 3 en 4
C
Zin 1 en 2
D
Zin 2 en 3

Slide 8 - Quizvraag

Wie stellen de mannen op de afbeelding voor? Voor welke groep of persoon staan ze symbool?
Adel
Geestelijkheid
Derde stand
Koning

Slide 9 - Sleepvraag

Waarmee wilden Nederlandse burgers laten zien dat ze rijk waren? Gebruik de afbeelding

Slide 10 - Open vraag

Waar of niet waar: 60% van de bevolking behoorde tot de 3e stand.
A
waar
B
niet waar

Slide 11 - Quizvraag

Bekijk de prent.

Welke zin over de prent is juist?
A
De tekenaar was een voorstander van de standenmaatschappij.
B
De tekening is getekend na de Franse Revolutie.
C
De tekening is getekend voor de Franse Revolutie.
D
Geen van de genoemde zinnen over de prent is juist.

Slide 12 - Quizvraag

In het tijdvak Pruiken & Revoluties had je ook in Frankrijk een standenmaatschappij.

Wie stelt de tweede stand voor in de prent?
A
De persoon met het gele cijfer 1
B
De persoon met het gele cijfer 2
C
De persoon met het gele cijfer 3
D
De tweede stand is in de prent niet te zien.

Slide 13 - Quizvraag

In het tijdvak Pruiken & Revoluties had je ook in Frankrijk een standenmaatschappij.

Wie stelt de eerste stand voor in de prent?
A
De persoon met het gele cijfer 1
B
De persoon met het gele cijfer 2
C
De persoon met het gele cijfer 3
D
De eerste stand is in de prent niet te vinden.

Slide 14 - Quizvraag

Tot welke stand behoorden de burgers?
A
Eerste stand.
B
Tweede stand.
C
Derde stand.
D
Geen enkele stand.

Slide 15 - Quizvraag

De manier van besturen waarbij de koning alle macht heeft?
A
Monarchie
B
Democratie
C
Rechtsstaat
D
Absolutisme

Slide 16 - Quizvraag

Noem twee vooerbeelden van priveleges die de eerste en tweede stand bezaten?

Slide 17 - Open vraag

Paragraaf 2: Revolutie in Frankrijk!

Slide 18 - Tekstslide

Een revolutie is...
A
Wanneer mensen in opstand komen.
B
Grote en snelle verandering.
C
Wanneer je niet tevreden bent met de koning.
D
Alle antwoorden zijn JUIST.

Slide 19 - Quizvraag

Noem twee oorzaken van het uitbreken van de Franse Revolutie?

Slide 20 - Open vraag

In welk jaar brak de Franse revolutie uit?
A
1629
B
1789
C
1804
D
1555

Slide 21 - Quizvraag

Bekijk de afbeelding.

Hoe heet dit executie-apparaat, waarbij een vallende bijl het hoofd in een flits van de romp afhakt?

(je mag een typfout maken)

Slide 22 - Open vraag

Welke drie veranderingen werden na de Franse revolutie ingevoerd in Frankrijk?
De standenmaatschappij werd afgeschaft.
Er kwam een vernieuwde grondwet.
Er kwam een grondwet.
Er kwam een democratie.
Er kwam een revolutie.
Er kwam een monarchie.

Slide 23 - Sleepvraag

Tijdens de Revolutie werd de Franse koning onthoofd. Welke Lodewijk?
A
Lodewijk XIII
B
Lodewijk XIV
C
Lodewijk XV
D
Lodewijk XVI

Slide 24 - Quizvraag

In 1791 werd Frankrijk een constitutionele monarchie. Wat was het meest directe gevolg voor koning Lodewijk XVI?
A
De koning moest vluchten naar Varennes.
B
De koning moest zich houden aan de wet.
C
De koning raakte al zijn rechten kwijt.
D
Lodewijk mocht geen koning meer zijn.

Slide 25 - Quizvraag

In 1791 werd Frankrijk een ........... monarchie.
A
Constitutionele
B
Revolutionaire
C
Republikeinse
D
Koninklijke

Slide 26 - Quizvraag

Tijdens de Franse Revolutie werden onder invloed van ideeën van de Verlichting de voorrechten van de eerste en tweede stand afgeschaft. Noem een idee van de Verlichting en leg uit dat het van invloed was op de afschaffing van deze voorrechten.

Slide 27 - Open vraag

Deze vraag gaat over de revolutie in Frankrijk.

1 De derde stand roept zichzelf uit tot de Nationale Vergadering.
2 Een woedende menigte bestormt de Bastille.
3 Frankrijk wordt een constitutionele monarchie.
4 Koning Lodewijk XVI roept de Staten-Generaal bijeen.
5 Koning Lodewijk XVI sterft onder de guillotine.

Zet bovenstaande zinnen in de juiste tijdsvolgorde:
A
4 --> 1 --> 2 --> 3 --> 5
B
4 --> 5 --> 1 --> 3 --> 2
C
2 --> 1 --> 4 --> 5 --> 3
D
2 --> 3 --> 4 --> 1 --> 5

Slide 28 - Quizvraag

Hieronder staan enkele zinnen die bij absolute vorsten of bij verlichte denkers horen. Welke zinnen horen ALLEEN bij verlichte denkers?

1. Als bestuurders niet goed besturen, mag het volk ze door anderen vervangen;
2. De macht van de overheid moet verdeeld worden tussen de regering, het parlement en de rechters;
3. Een koning hoeft zijn besluiten aan niemand uit te leggen;
4. Elke staat moet een grondwet hebben, waarin staat hoe het land wordt geregeerd.
5. Vorsten hebben hun macht gekregen van God.
6. Koning en ministers hebben hun macht van het volk gekregen.
A
Zin 1, 2, 4 en 5
B
Zin 1, 3, 4 en 6
C
Zin 2, 3, 4 en 6
D
zin 1, 2, 3 en 5

Slide 29 - Quizvraag

Verlichting
Voor de Verlichting.
Denken met je verstand.
traditie
Wetenschap wordt belangrijk.
Het volk krijgt meer invloed.
Gelijkwaardigheid.
Vastleggen rechten en plichten .
De grondwet wordt ingevoerd.
Onderzoek en experiment.
Standenmaatschappij.
Een kleine groep mensen heerst.
Absolutisme.
Eise Eisinga bouwt eht zonnestelsel.
Pruik.

Slide 30 - Sleepvraag

Lees eerst het verhaal van Eise Eisinga.

Dit hoofdstuk gaat onder ander over de Verlichting.

Waarom was Eise een verlicht persoon.
A
Eisinga geloofde niets van wat de predikant zei.
B
Eisinga bouwde het zonnestelsel ba.
C
Eisinga leefde van 1744-1828 in Friesland.
D
Geen van de genoemde antwoorden is juist.

Slide 31 - Quizvraag

Ze de volgende gebeurtenissen in de juiste volgorde.
Marie-Antoinette onthoofd!
Napoleon grijpt de macht
Grondwet in Frankrijk
Franse revolutie

Slide 32 - Sleepvraag

Lees eerst de bron.

Is de schrijver een
verlicht denker?
A
Ja
B
Nee

Slide 33 - Quizvraag

Deze vraag gaat over Napoleon, de alleenheerser.

Op welke manier zorgde Napoleon voor meer gelijkheid in de Franse samenleving?
A
Hij maakte afkomst (waar je vandaan komt) weer belangrijk.
B
Hij maakte opleiding en prestaties minder belangrijk.
C
Hij zorgde ervoor dat iedere Fransman zich met onderwijs kon ontwikkelen.
D
Geen van de genoemde antwoorden is juist

Slide 34 - Quizvraag

De Franse Revolutie was een ....... en een ...... verandering.

Welke twee woorden horen op de stippellijntjes te staan?
A
Economische en culturele
B
Economische en sociale
C
Politieke en culturele
D
Politieke en sociale

Slide 35 - Quizvraag

Nooem twee voorbeelden van eenheidspolitiek die Napoleon heeft ingevoerd?

Slide 36 - Open vraag

Bij welke plaats vocht Napoleon zijn laatste veldslag uit?

Slide 37 - Open vraag

Dit is het einde




van de toets
Kijk alle vragen naar een keer na voordat je het definitief inleverd!

Slide 38 - Tekstslide