hf 4.5 voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord

Welkom

klas th2
maandag 28 mei 2018
hf 4.5 - spelling
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Welkom

klas th2
maandag 28 mei 2018
hf 4.5 - spelling

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Welkom

klas th2
maandag 28 mei 2018
hf 4.5 - spelling

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

Een voltooid deelwoord verandert als je de zin in een andere tijd zet
A
Waar
B
Niet waar

Slide 8 - Quizvraag

Een voltooid deelwoord eindigt altijd op een d
A
Waar
B
Niet waar

Slide 9 - Quizvraag

voltooid deelwoord...

Kies bij de volgende zinnen  steeds

de juiste werkwoordsvorm

Slide 10 - Tekstslide


De buurman heeft zijn spullen ......
A
Verhuist
B
Verhuisdt
C
Verhuisd
D
Geverhuist

Slide 11 - Quizvraag


Er is deze week veel ...........(gebeuren)
A
gebeurt
B
gebeurdt
C
gebeurd
D
gebeurde

Slide 12 - Quizvraag


Het vliegtuig is veilig .......(landen)
A
gelandt
B
gelant
C
geland
D
gelanden

Slide 13 - Quizvraag

Voltooid deelwoord als bijvoeglijk naamwoord

Voorbeelden: 


Ik heb de foto's vergroot   (voltooid deelwoord ) 

De vergrote foto's  (gebruikt als bijvoeglijk naamwoord ) 


Ik heb koffie gezet (voltooid deelwoord)

De gezette koffie (gebruikt als bijvoeglijk naamwoord)

Slide 14 - Tekstslide

Het bijvoeglijk naamwoord

Het bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een  ?

Slide 15 - Tekstslide

Het bijvoeglijk naamwoord
Een  bijvoeglijk naamwoord 
zegt iets over 
een  zelfstandig naamwoord. 

Een  broek.  
Een blauwe broek. 
De broek is blauw.


Slide 16 - Tekstslide

Het gelande vliegtuig.
-->  volt dw als bijv nw gebruikt!

Regel: schrijf het zo kort mogelijk!

Het vliegtuig is geland.
Het gelande vliegtuig.

maar.... De gezette koffie!      ( i.v.m. de uitspraak  )

Slide 17 - Tekstslide

'verbreden'
De mannen  .....  de weg. (tt)
De werkploeg  ....  de weg. (tt)

Gisteren  .... de mannen de weg. (vt)
De weg is  ...  (vd)

De leerlingen fietsen over de ..... weg. (bn)

Slide 18 - Tekstslide

'verbreden'
De mannen verbreden de weg. (tt)
De werkploeg verbreedt de weg. (tt)

Gisteren verbreedden de mannen de weg. (vt)
De weg is verbreed. (vd)

De leerlingen fietsen over de verbrede weg. (bn)

Slide 19 - Tekstslide

'vergroten'
De fotograaf  .... straks die mooie foto. (tt)

Gisteren   ...  hij die mooie foto. (vt)

De foto is   ...   (vd)

Hij gaf aan oma die mooie   ...   foto. (bn)

Slide 20 - Tekstslide

'vergroten'
De fotograaf  vergroot straks die mooie foto. (tt)

Gisteren   vergrootte hij die mooie foto. (vt)

De foto is   vergroot   (vd)

Hij gaf aan oma die mooie   vergrote   foto. (bn)

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Video

TD als BN 
(tegenwoordig deelwoord als bijvoeglijk naamwoord)
'het-woorden' krijgen vaak een TD als BN zonder -e. 
Hij vertoont afwijkend gedrag.

'De-woorden' krijgen vaak een TD als BN met -e.
De passerende auto gaat snel.

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Wat is ook nog maar een samenstelling?

Slide 25 - Open vraag

samenstelling

twee bestaande woorden die aan elkaar geplakt zijn:

stoel + poot
telefoon + oplader

Slide 26 - Tekstslide

samenstelling
tussenletter    -s:        jongen + boek = jongensboek

tussenletter -(e)n:      bejaarde + flat = bejaardenflat


Slide 27 - Tekstslide

Tussenletter -s

  • als je de -s hoort en als de -s in dezelfde soort samenstellingen ook voorkomt.

voorbeeld:     mijnwerkerslamp -> mijnwerkersstaking
                       stationsklok         -> stationsstraat

Slide 28 - Tekstslide

Tussenletter -en

  • Als het eerste woord van de samenstelling alleen een meervoud heeft op -en

Voorbeeld: bananenschil, paardensport, hondenhok

Slide 29 - Tekstslide

Tussenletter -e     
Als het eerste woord...
  • gaat over iets waar er maar één van is 
                        voorbeeld: maneschijn, zonnebank
  • een versterkende betekenis heeft 
                        voorbeeld: reuzeleuk, beresterk
  • alleen een meervoud op -s heeft                                                                        voorbeeld: aspergesoep, douchekraan

Slide 30 - Tekstslide

Tussenletter -e      (2)
Als het eerste woord ...
  • óók een meervoud op -s heeft
      voorbeeld:  secondewijzer, gedachtegang, groentesoep
  • geen meervoud heeft
      voorbeeld: rijstepap, tarwebrood
  • geen zelfstandig naamwoord is:                                           voorbeeld: huilebalk

Slide 31 - Tekstslide

Welk woord is juist geschreven?
A
kippesoep
B
kippensoep

Slide 32 - Quizvraag

Welk woord is juist geschreven?
A
gemeenteraad
B
gemeentenraad

Slide 33 - Quizvraag

Welk woord is juist geschreven?
A
horlogemaker
B
horlogesmaker

Slide 34 - Quizvraag

Welk woord is juist geschreven?
A
bessesap
B
bessensap

Slide 35 - Quizvraag

zelfstandig werken  
Maak  nu de volgende opdrachten:  (chromebook)

  • herhaling:                                       opdracht 1
  • voltooid deelwoord als BN:           opdracht 2
  • tegenwoordig deelwoord als BN:  opdracht 5
  • tussenletters:                                  opdracht 7
  • totaalopdracht:                               opdracht 8

Slide 36 - Tekstslide