Test week period 2 QUIZ

QUIZ!
Lets see how well you know the grammar for the test!
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

Onderdelen in deze les

QUIZ!
Lets see how well you know the grammar for the test!

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present Continuous:

Wat geef je aan met de present continuous?
A
Iets dat altijd, nooit of regelmatig gebeurt
B
Iets dat NU aan de gang is.
C
Iets dat is gebeurd in het verleden.

Slide 2 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present continuous:

Wat is de regel van de present continuous?
A
hele ww+ -ed
B
shit = hele ww+ -s
C
vorm van to be (am/are/is) + hele ww+ -ing

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Continuous:
Which sentence is in the present continuous?
A
He was working late.
B
He is working late.
C
He worked late.
D
He has worked late.

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple
Welke zin staat niet in de Present Simple?
A
Dogs wag their tail when they are excited.
B
Sarah usually runs to school.
C
Cats tend to scratch things.
D
Jeffrey has been cycling for hours.

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple:

Wanneer gebruik je de Present Simple?
A
Bij feiten, gewoontes en dingen die regelmatig gebeuren.
B
Wanneer iets nu bezig of aan de gang is.
C
Wanneer je het hebt over iets wat je wilt gaan doen.
D
Als je verteld over iets wat je is overkomen.

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple:
Wat is de regel van de present simple?
A
SHITY-regel
B
hele ww (bij I, you, we, they) hele ww + s (bij he, she, it)
C
Hele werkwoord
D
Werkwoord + -ed

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Is het Present Simple of Continuous?

Mum and dad often eat in a restaurant.
A
Present Simple
B
Present Continuous

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kies tussen present simple en present continuous:

Shirley and Tristan ... a film right now
A
watch
B
are watching
C
are going to watch
D
will watch

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kies: don't have to of doesn't have to
A
Kevin have to read the instructions
B
Kevin has to read the instructions

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kies: don't have to of doesn't have to
A
I don't have to listen to you
B
I doesn't have to listen to you

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent 'adverb of frequency?
A
bijwoord van bepaalde tijd
B
bijwoord van tijd
C
bijwoord
D
bijwoord van onbepaalde tijd

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Which word is NOT an adverb of frequency ?
A
always
B
rarely
C
never
D
Yesterday

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Where do we put adverbs of frequency?
A
Always I play football.
B
I always play football.
C
I play always football.
D
I play football always.

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf een zin met can

Slide 15 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf een zin met can't

Slide 16 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Complete the sentences.
Choose between some and any.

I will get us some/any popcorn
A
some
B
any

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat geven we aan met some and any?
A
lidwoorden
B
hoeveelheden
C
werkwoorden
D
bijvoegelijk naamwoorden

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

She ate any / some bread and cheese.
A
any
B
some

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

I don't have some/any sugar left. I'll go and borrow some/any from the neighbour.
A
some / some
B
any / some
C
some / any
D
any / any

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

First subject: some and any. Fill in!

I don't want ____ 7up.
A
some
B
any

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Some of any?

I own _________ cats and dogs.
A
some
B
any

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Much and many gebruik je
A
om tijd aan te geven
B
om de tijd aan te geven
C
om hoeveelheid aan te geven
D
om de dagen aan te geven

Slide 23 - Quizvraag

Much en many gebruik je om te zeggen dat er 'veel' van iets is. 
MUCH AND MANY
Fill in: much or many

There are so _____cities in the United Kingdom, I can’t choose which one to visit.

A
much
B
many

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Much, Many, A lot of?
Do you have ... brothers and sisters?
A
Much
B
Many
C
A lot of

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Much or many?
.............. of my classmates are always very happy and busy.
A
much
B
many

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Word order: which is correct?
A
Also I think dogs are nice pets.
B
I think also dogs are nice pets.
C
I also think dogs are nice pets.

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Word Order

What is the correct word order?
A
You there went last Monday.
B
You there last Monday went.
C
You went last Monday there.
D
You went there last Monday.

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Word Order

What is the correct word order?
A
They never are on time.
B
They are never on time.

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Word Order

What is the correct word order?
A
Danny went to school yesterday.
B
Went Danny to school yesterday.
C
To school went Danny yesterday.
D
Danny to school went yesterday.

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies