Unit 2 Selftest

Welcome!

1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 23 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Welcome!

Slide 1 - Tekstslide

Today
- in je agenda: woensdag 1 december PW Unit 2
- Selftest uitleg
- maandag 22 november: opdrachten Selftest af (digitaal of werkboek!)

Slide 2 - Tekstslide

Selftest!

Slide 3 - Tekstslide

Selftest! A+B = Words

Slide 4 - Tekstslide

Selftest! C = comparisons

Slide 5 - Tekstslide

Degrees of comparisons 
trappen der vergelijking

Slide 6 - Tekstslide

1 lettergreep
Als een bijv.nw. één lettergreep heeft, dan voeg je -er achter het bijv. nw. bij de vergelijkende trap (comparative form) en  -est bij de overtreffende trap (superlative form). 
Vb: big, bigger, biggest/ small, smaller, smallest. 

Slide 7 - Tekstslide

3 lettergrepen
Als een bijv.nw. drie of meer lettergrepen heeft, dan voeg je more voor het bijv. nw. bij de vergelijkende trap (comparative form) en most bij de overtreffende trap (superlative form). 
Vb: beautiful, more beautiful, most beautiful/ interesting, more interesting, most interesting. 

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Selftest! D = much/many

Slide 10 - Tekstslide

Much and many

Slide 11 - Tekstslide

Much and many
Much en many betekenen allebij 'veel'.

Welke je gebruikt heeft te maken met of je het  wel of niet kunt tellen.

Slide 12 - Tekstslide

Much and many
Much gebruik je als je veel van iets hebt, maar ...
... je kunt het niet (precies) tellen 
... je kunt er geen getal voor zetten
... je kunt er geen meervoud van maken

Denk hierbij aan:
- vloeistoffen
- gassen
- poedertjes
- begrippen

Slide 13 - Tekstslide

Much and many
Many gebruik je als je veel van iets hebt en ...
... je kunt het wel (precies) tellen 
... je kunt er wel een getal voor zetten
... je kunt er wel meervoud van maken



Slide 14 - Tekstslide

many

much

Slide 15 - Tekstslide

Selftest! E+F = past simple

Slide 16 - Tekstslide

Past simple

Slide 17 - Tekstslide

past simple: bevesitigen
- Gebruik:
   - verleden > helemaal voorbij

   - je weet waneer het gebeurde

- Vorm:
    - regelmatige werkwoorden + ed
    - onregelmatige werkwoorden > 2e rijtje




Slide 18 - Tekstslide

past simple: vragen en ontkennen

- Vorm:

    - Did + hele werkwoord
      

- Vorm:
    - didn't (did not) + hele werkwoord



Vragen:
Ontkennen:

Slide 19 - Tekstslide

Selftest! G = past continuous

Slide 20 - Tekstslide

Past Continuous

Slide 21 - Tekstslide

Selftest! H = sentences

Slide 22 - Tekstslide

Today
nu eerst SO van een klasgenoot maken


Slide 23 - Tekstslide