1.2 Extreem weer (Opdracht Buys Ballot)

1.2 Extreem weer
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
AardrijkskundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

1.2 Extreem weer

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoelen
Aan het einde van de les weet je:
  • hoe luchtsoorten invloed hebben op het klimaat in de VS
  • waar extreem weer (tornado's, hurricanes, stofstormen & blizzards) voorkomt in de VS en waarom daar

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lucht boven land en zee
Luchtsoort = grote hoeveelheid lucht met een bepaalde temperatuur en vochtigheid.

Vier luchtsoorten boven Noord-Amerika:
- vochtig boven zee
- droog boven land
- koud in het noorden
- warm in het zuiden

Front = grensgebied tussen twee verschillende luchtsoorten.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 5 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Herhaling - B62 Hogedruk- en lagedrukgebieden

  • Hogedrukgebied:
    - teveel aan lucht
    - lucht stroomt weg
    - aanvulling door dalende lucht
    - helder weer

  • Lagedrukgebied:
    - tekort aan lucht
    - lucht stroomt toe
    - lucht stijgt op
    - bewolkt, regenachtig weer


Door verschillen in luchtdruk wordt lucht verplaatst. De verplaatsing van lucht = wind

Slide 6 - Tekstslide

Beschrijving:
Hogedrukgebieden gaan gepaard met dalende luchtbewegingen, terwijl bij lagedrukgebieden de lucht stijgt. Hierdoor ontstaat er respectievelijk een overschot en tekort aan lucht. Bij lagedrukgebieden is sprake van stijgende lucht en daarmee vorming van wolken, buien en regengebieden. Onbestendig weer dus. Bij hogedrukgebieden is sprake van dalende luchtbeweging, uitdroging van lucht en vaak weinig wolken.
Maak opdracht 1 van het blad

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoord opdracht 1
Bij de evenaar ligt een lagedrukgebied door de stijgende lucht. 

De lucht is hier warm en stijgt op. Het neemt waterdamp mee. Dit geeft regen en bewolking 

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

B63 Wet van Buys Ballot

Twee regels:

  1. Lucht stroomt altijd van een hoge- naar een lagedrukgebied 
    Maak opdracht 2 

  2. De wind krijgt een afwijking door de draaiing van de aarde: het corioliseffect:

    Op het noordelijk halfrond naar rechts
    Op het zuidelijk halfrond naar links


Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoord opdracht 2
De regel is: wind waait van een hogedrukgebied naar een lagedrukgebied 

Let op: de wind waait van een hogedrukgebied dus twee kanten op.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lucht boven land en zee
De luchtsoorten:
- hebben een grote invloed op het weer in de VS
 - verplaatsen zich door verschillen luchtdruk
- kunnen ver landinwaarts komen door de noord-zuidligging van de gebergten

  •  winter: koude winden northerns, blizzards, cold waves)
  • zomer: warme winden (southerns, hot waves)

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

B63 Wet van Buys Ballot

Twee regels:

  1. Lucht stroomt altijd van een hoge- naar een lagedrukgebied 

  2. De wind krijgt een afwijking door de draaiing van de aarde: het corioliseffect:

    Op het noordelijk halfrond naar rechts
    Op het zuidelijk halfrond naar links
    Maak opdracht 3


Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Antwoord opdracht 3
De regel is: 
Op het noordelijk halfrond een afwijking naar rechts.
Op het zuidelijk halfrond een afwijking naar links.

Let op: de wind waait vanuit je rug.

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

B64 Grote windsystemen
  • Evenaar: tropisch minimum met warme, stijgende lucht
  • Polen: polair maximum met koude, dalende lucht
  • 30⁰ breedte: subtropisch maximum
  • 60⁰ breedte: subpolair minimum


Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

B64 Grote windsystemen
  • Passaten: tussen de 30⁰ breedte en de evenaar
  • Westenwinden: tussen 30⁰ breedte en 60⁰ breedte 
  • Poolwinden: tussen 60⁰ breedte en 90⁰ breedte

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Luchtcirculatie bij luchtdrukgebieden 

Slide 17 - Tekstslide

Beschrijving:
Hogedrukgebieden gaan gepaard met dalende luchtbewegingen, terwijl bij lagedrukgebieden de lucht stijgt. Hierdoor ontstaat er respectievelijk een overschot en tekort aan lucht. Bij lagedrukgebieden is sprake van stijgende lucht en daarmee vorming van wolken, buien en regengebieden. Onbestendig weer dus. Bij hogedrukgebieden is sprake van dalende luchtbeweging, uitdroging van lucht en vaak weinig wolken.
Lucht boven land en zee

Standaardsituaties luchtdruk in zomer en winter:
 

Florida in de zomer:
Hogedrukgebied voor de kust -> warme, vochtige wind richting de VS -> warm en vochtig zeeklimaat

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lucht boven land en zee

Standaardsituaties luchtdruk in zomer en winter:
 

California:
Zomer: hogedrukgebied voor de kust -> droog en zonnig
Winter: hogedrukgebied ligt zuidelijker -> aanlandige wind -> koeler en meer neerslag = Middellandse Zeeklimaat

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag:
Wat?
§1.2 Opdrachten: 
        Herhaling: 
Waar?
Learnbeat (via magister -> leermiddelen) 
Hulp?
- Theorie (                = bovenin links)
- Atlas 
- Docent 
Klaar?
Noteer in je schrift de begrippen met de betekenis
Niet af?
Huiswerk voor volgende les
Oefenen met de leerstof

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1

Slide 21 - Video

Deze slide heeft geen instructies

02:11
Waarom zijn er juist op deze plek veel tornado's?

Slide 22 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Tornado’s en hurricanes

Lagedrukgebieden / depressies kunnen zorgen voor extreme weersituaties

Tornado (twister, wervelwind, windhoos):
Midden VS botsing van verschillende luchtsoorten:
+ koude, droge lucht uit Canada
+ warme, vochtige lucht vanuit de Golf van Mexico
 + warme, droge woestijnlucht uit het zuidwesten

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tornado’s en hurricanes

Tornado (twister, wervelwind, windhoos):
  1. Warme lucht stijgt snel op  
  2. Koelt snel af
  3. Ontstaan regen met onweersbuien
  4. Draaiende kolom lucht door stijgende warme lucht en dalende koude lucht = tornadoslurf

Elk jaar:
Zo’n duizend tornado’s, van  april t/m juni & vooral in Tornado Alley 

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 25 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Herhaling B67 Werking van een orkaan
Ontstaanswijze orkaan:
  1. Boven warm zeewater (minimaal 26,5 ⁰C)
  2. Zeewater verdampt 
  3. Lucht daardoor  is warm en vochtig
  4. Lucht stijgt snel op, koelt af en het gaat  regenen
  5. Onderin ontstaat hierdoor een tekort aan lucht (lage druk)
  6. Tekort wordt opgevuld met lucht uit andere gebieden
  7. Aarde draait -> lucht gaat draaien

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Orkanen, wat valt op?

Slide 27 - Tekstslide

Beschrijving:
In de meteorologie is een luchtmassa of luchtsoort een groot volume lucht (aardatmosfeer) met een bepaalde temperatuur en vochtigheid. Boven de zee is de lucht vochtig, boven land droog. In het zuiden is de lucht warm en in het noorden koel of koud. 
Tornado's en hurricanes
  1. Eind zomer warm zeewater 
  2. Opstijging verdampt zeewater 
  3. Tropische depressie (<64 km/h)
  4. Tropische storm (64-119 km/h)
  5. Orkaan (>119 km/h)

Windkracht van minimaal 12 op de schaal van Beaufort, daarna schaal van Saffir-Simpson: 5 orkaancategorieën 

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tornado's en hurricanes
Orkaan / hurricane:
  • 5 tot 10 per jaar
  • Oosten en zuidoosten van de VS
  • Eind zomer 
  • Orkaankracht = windsnelheden boven de 119 km per uur
  • Oog van de orkaan: windstil, wolkeloos gat van 30-50 km
  • Grote schade door wind en vloedgolven
  • Nemen snel in kracht af boven land

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Droogte
100⁰-meridiaan:
  •  Ten oosten: meer dan 500 mm neerslag
  •  Ten westen: minder dan 500 mm neerslag

Great Plains = overgangsgebied / wisselvallige neerslag 
  1. Akkerbouw Great Plains alleen mogelijk met irrigatie.
  2. Grondwater uit Ogallalla-aquifer = niet-duurzaam watergebruik
  3. Akkerland ligt braak in de winter.
    Bij droogte: stofstormen door losliggende, droge zanddeeltjes
    Bij regenbui: modderstromen (flashfloods) door verzadigd rakende bodem op een helling


Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Land
Zee
Klein
Groot
Hoger
Lager
Meer
Minder

Slide 32 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag:
Wat?
§1.2 Opdrachten: 
        Herhaling: 
Waar?
Learnbeat (via magister -> leermiddelen) 
Hulp?
- Theorie (                = bovenin links)
- Atlas 
- Docent 
Klaar?
Noteer in je schrift de begrippen met de betekenis
Niet af?
Huiswerk voor volgende les
Oefenen met de leerstof

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoelen
Aan het einde van de les weet je:
  • hoe luchtsoorten invloed hebben op het klimaat in de VS
  • waar extreem weer (tornado's, hurricanes, stofstormen & blizzards) voorkomt in de VS en waarom daar

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


  • Luchtsoort
  • Front
  • Hogedrukgebied
  • Lagedrukgebied
  • Corioliseffect
  • Tropisch minimum
  • Tropisch maximum
  • Subtropisch minimum
  • Subtropisch maximum
  • Passaten
  • Westenwinden
  • Poolwinden

  • Depressies
  • Tornado
  • Orkaan
  • Hurricane
  • Aquifer
  • Modderstroom
Begrippenlijst

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zelfstudie - B69 Weerbericht
Het weerbericht geeft een beschrijving van het weer op een bepaalde plaats op een bepaald moment.
• Temperatuur:
 - warmte van de lucht
 - thermometer
• Bewolking en neerslag:
 - hoe meer bewolking, hoe groter de kans op neerslag
- regenmeter
• Windsnelheid en windrichting:
- snelheid: 1 t/m 12 op de schaal van Beaufort
 - richting: in Nederland meestal (zuid)westenwind

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zelfstudie - B78 Woestijn en steppe: te droog

De mogelijkheden om in een droog gebied te bestaan zijn beperkt.
- dunbevolkt
- nauwelijks ingericht
- alleen extensieve veeteelt

Twee manieren om aan water te komen:

  • Water uit de grond halen. Ter plekke: bronoase
  • Water van ergens anders aanvoeren:
    Door een rivier: rivieroase
    Door pijpleidingen / irrigatiekanalen: meestal vanuit een rivier met een stuwdam en stuwmeer

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies