Klas 1TH

Mittwoch den 14. Januar 2026
Welkom bij de les Duits!

1 / 48
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvmbo gLeerjaar 2

In deze les zitten 48 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Mittwoch den 14. Januar 2026
Welkom bij de les Duits!

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Was machen wir heute?
Nicos Weg
Hausaufgaben besprechen
Grammatik C Lektion 4: der, die, das
Selbständig arbeiten / Hausaufgaben
Ende Unterricht

Slide 3 - Tekstslide

                  Lernziel (lesdoel)

  • Aan het einde van de les weet je welk bepaald lidwoord der, die of das in het Duits je kunt gebruiken voor de zelfstandige naamwoorden. 

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Slide 7 - Link

Leren: woorden Lernbox Lektion 4, blz. 81

Maken: opdracht 32B, 34, 35, 36, 37A / blz. 54 t/m 57
Fragen?

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Wat is een lidwoord?
- welke ken je in het Nederlands?
- welke zijn er in het Duits?

Slide 10 - Tekstslide

Wat zijn lidwoorden?

Lidwoorden zijn woorden die voor een zelfstandig naamwoord worden geplaatst om aan te geven of het om iets specifieks of iets algemeens gaat.

Wat is een zelfstandig naamwoord?
Laten we beginnen met de zelfstandige naamwoorden. Simpel gezegd is een zelfstandig naamwoord een woord dat mensen, dieren of dingen aanduidt.



Slide 11 - Tekstslide

Het bepaald en onbepaald lidwoord
Bepaalde en onbepaalde lidwoorden
Er zijn drie lidwoorden: de, het, een. De en het zijn bepaalde lidwoorden. Een is een onbepaald lidwoord.  VOORBEELD:

                      Het paard staat in de wei.                  Een paard staat in de wei
                      De koe eet gras.                                      Een koe eet gras.



Het bepaald lidwoord 'der', 'die' en 'das' in het Duits wijzen op een specifiek zelfstandig naamwoord. Bijvoorbeeld: 'der Hund' (de hond).

Slide 12 - Tekstslide

Welke lidwoorden zijn er in het Duits?
Bepaalde lidwoorden de en het 

Mannelijk (m)
Vrouwelijk (v)
Onzijdig (o)
Meervoud (mv)
  •  der, die, das, die
  • der
  • die
  • das
  • die

Slide 13 - Tekstslide

VIDEO
uitleg video bepaald lidwoord
lesmethode Na Klar

Slide 14 - Tekstslide

der , die , das
der -> alle mannelijke personen of dieren

die -> alle vrouwelijke personen of dieren

das -> vaak 'het' woorden

die -> meervoud

Slide 15 - Tekstslide

    Wanneer mannelijk? DER
  • Mannelijke personen, dieren en beroepen
  • de dagen
  • de seizoenen
  • de maanden
  • de dagdelen

Slide 16 - Tekstslide

      Wanneer vrouwelijk? DIE
  • vrouwelijke personen, dieren en beroepen
  • woorden die eindigen op: -heit, -keit, -ung, -e

Slide 17 - Tekstslide

Wanneer onzijdig? DAS
  • woorden die in het Nederlands -het woorden zijn, zoals het huis (das Haus), het paard (das Pferd).
  • verkleinwoorden: deze woorden eindigen op -chen en -lein. Het meisje (das Mädchen), het boekje (das Buchlein)

Slide 18 - Tekstslide

MEERVOUD -> DIE
Woorden die in het meervoud staan,
krijgen altijd het lidwoord die in het Duits

Slide 19 - Tekstslide

der, die of das?
Kijk naar de dia en zeg of het der die of das is?
Vertel ook de regel die erbij hoort.
Controleer op de volgende dia.

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

der Lehrer
want het is een mannelijke persoon

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

die Lehrerin
want het is een vrouwelijke persoon

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

die Schule
want het woord eindigt op -e

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

das Buch
want het is een Nederlands het-woord

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

die Kinder
want het is meervoud

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

voor mannelijke woorden gebruik je
voor vrouwelijke woorden gebruik je
voor onzijdige woorden gebruik je
voor meervoud gebruik je
das
der
die
die

Slide 32 - Sleepvraag

Multiple choice
A, B of C ?
der die of das, die (meervoud)?

Slide 33 - Tekstslide

der, die oder das?

Großmutter
A
der
B
die
C
das

Slide 34 - Quizvraag

der, die oder das?

Kater
A
die
B
der
C
das

Slide 35 - Quizvraag

der, die oder das?

Kuh
A
die
B
der
C
das

Slide 36 - Quizvraag

der, die oder das?

Bruder
A
der
B
die
C
das

Slide 37 - Quizvraag

der, die oder das?

Eltern
A
der
B
die
C
das

Slide 38 - Quizvraag

der, die oder das?

Lampe
A
der
B
die
C
das

Slide 39 - Quizvraag

Der, die oder das?

Haus
A
der
B
die
C
das

Slide 40 - Quizvraag

der, die oder das?

Banane
A
der
B
die
C
das

Slide 41 - Quizvraag

der, die oder das?

Onkel
A
der
B
die
C
das

Slide 42 - Quizvraag

der, die oder das?

Katze
A
der
B
die
C
das

Slide 43 - Quizvraag


Ik ken de bepaalde lidwoorden in het Duits en ik kan ze toepassen bij de zelfstandige naamwoorden?
😒🙁😐🙂😃

Slide 44 - Poll

Pak je lesboek!
Grammatik C / Seite 59

Slide 45 - Tekstslide

 Hausaufgaben/ selbständig arbeiten
Leren: Woorden Lernbox Lektion 4 / blz 81
Maken: opdracht 39, 40, 41, 42 blz 59
Klaar? -> Oefenen met de  woordtrainer Lektion 4 digitale lesomgeving 
van Na Klar of grammaticatrainer bepaald lidwoord 



Slide 46 - Tekstslide

Slide 47 - Tekstslide

Bis nächstes Mal!

Slide 48 - Tekstslide