Break-even punt

Start klaar?
Kauwgom in de prullenbak
Telefoon in je locker of in de 'kluis'
Boek, etui en schrift op tafel
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Start klaar?
Kauwgom in de prullenbak
Telefoon in je locker of in de 'kluis'
Boek, etui en schrift op tafel

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
  • Wat is winst en verlies?
  • Hoe bereken je de brutowinst?
  • Hoe bereken je de nettowinst?
  • Wat is het break-even punt en hoe bereken je dit?

Slide 2 - Tekstslide

Winst of Verlies
Totale opbrengsten (omzet) - totale kosten = bedrijfsresultaat

positief resultaat = winst
negatief resultaat = verlies

Slide 3 - Tekstslide

Bruto- en nettowinst 
Omzet - inkoopwaarde = Brutowinst
Brutowinst - bedrijfskosten = Bedrijfsresultaat (Nettowinst)

Slide 4 - Tekstslide

Break-even punt / Break-even afzet
  • Het punt waarop een onderneming geen winst maar ook geen verlies maakt.

  • De totale kosten van de onderneming zijn gelijk aan de totale opbrengsten (omzet).

Slide 5 - Tekstslide

Formule break-even punt
C / (p - v)

C = vaste kosten
p = verkoopprijs
v = variabele kosten (per stuk)

Slide 6 - Tekstslide

Formule break-even punt
C / (p - v)
C = vaste kosten
p = verkoopprijs
v = variabele kosten (p.st.)

Voorbeeld:
Een bakker betaalt huur van 
€ 400,- Een brood wordt verkocht voor € 2,- per stuk. De variabele kosten per brood zijn € 0,40
Bereken het break even punt 

Slide 7 - Tekstslide

Formule break- even punt
C / (p - v)
C = vaste kosten
p = verkoopprijs
v = variabele kosten

Voorbeeld:

400  :  (2 - 0,40) = 

400  :  1,60 = 250

250 broden moet de bakker verkopen voor geen winst/verlies

Slide 8 - Tekstslide

Aan de slag
Maak opdracht 6.4 in AmeRijck (administratie)
Zelfstandig stil
Vragen? Hand opsteken ajb
Klaar?

Slide 9 - Tekstslide

Hoe bereken je de bruto winst van een bedrijf?
A
Afzet + bedrijfskosten
B
Omzet + bedrijfskosten
C
Afzet - inkoopwaarde
D
Omzet - inkoopwaarde

Slide 10 - Quizvraag

Hoe bereken je de omzet?
A
Afzet - verkoopprijs
B
Winst x omzet
C
Afzet x verkoopprijs
D
Omzet - winst

Slide 11 - Quizvraag

Hoe bereken je de netto winst van een bedrijf?
A
Omzet - bedrijfskosten
B
Bruto winst - bedrijfskosten
C
Omzet - bruto winst
D
Omzet - bruto winst -bedrijfskosten

Slide 12 - Quizvraag

Omzet = €110,-
Inkoopwaarde = €30,-
Bruto winst = ....
A
€140,- (winst)
B
€80,- (verlies)
C
€80,- (winst)
D
€30,- x €110,- = €3.300,-

Slide 13 - Quizvraag

Als de nettowinst negatief is, ...
A
Dan maak je verlies
B
Dan maak je veel winst
C
Dat bestaat niet
D
Dan maak je winst

Slide 14 - Quizvraag

Hoe bereken je de inkoopwaarde?
A
afzet x verkoopprijs
B
afzet x inkoopprijs
C
afzet x consumentenprijs
D
omzet : afzet

Slide 15 - Quizvraag

Firma Mbappé b.v. verkoopt 500 elektrische fietsen per jaar.
De verkoopprijs is €1.000,-
A
De omzet is 500.000
B
De afzet is 500 fietsen
C
De omzet is €50.000,-
D
De afzet is 1.000,-

Slide 16 - Quizvraag

Hoe noem je het aantal verkochte producten?
A
Omzet
B
Afzet
C
Brutowinst
D
Nettowinst

Slide 17 - Quizvraag

Stel de afzet is 50 stuks. De verkooprijs is €10,- per stuk. De inkoopwaarde van de omzet is €200,-

Wat is de brutowinst?

A
€300,-
B
€2.050,-
C
€290,-
D
€500,-

Slide 18 - Quizvraag

Een bedrijf verkoopt 2500 spijkerbroeken van €30 per stuk.
Wat is de afzet?
A
2500 broeken
B
€30,-
C
2500 x €30 = €75.000,-
D
2500 : €30 = €833,-

Slide 19 - Quizvraag

Een handelaar in rekenmachines verkoopt elke rekenmachine voor € 30,-. De afzet is 1.400 stuks. De inkoopwaarde is € 32.000. De bedrijfskosten zijn € 28.000.

Bereken de nettowinst.
A
€ 42.000,- (winst)
B
€ 10.000,- (winst)
C
€ 4.000,- (verlies)
D
€ 18.000,- (verlies)

Slide 20 - Quizvraag

Een handelaar verkoopt koksmutsen. De verkoopprijs per koksmuts is € 13,- exclusief btw. De inkoopprijs per stuk is € 5,50. De bedrijfskosten zijn € 38.000,-. De afzet is 4.900 stuks.

Bereken de nettowinst.
A
€ 63.700,-
B
€ 36.750,-
C
€ 1.250,-
D
€ 1.250,- (verlies)

Slide 21 - Quizvraag

Een handelaar verkoopt voetballen. De verkoopprijs per voetbal is € 37,90 exclusief btw. De inkoopprijs per stuk is € 19,70. De bedrijfskosten zijn € 60.000,-. De afzet is 3.000 stuks.
Bereken de nettowinst.
A
€ 113.700,- (winst)
B
€ 59.100,- (winst)
C
€ 5.400,- (verlies)
D
€ 10.800,- (verlies)

Slide 22 - Quizvraag

Verkoopprijs € 75,- inkoopwaarde is 20% van de omzet. Afzet is 2.000
A
De omzet is € 120.000,-
B
De brutowinst is € 15,- per stuk
C
De inkoopwaarde is € 15,- per stuk
D
De brutowinst is € 30.000,-

Slide 23 - Quizvraag

Het punt waar een bedrijf geen winst en geen verlies maakt noem je ...
A
verkoopprijs
B
netto winst
C
bruto winst
D
break even

Slide 24 - Quizvraag

Met welke formule bereken je het break-even punt?
C = Constante kosten
p = verkoopprijs
v = variabele kosten per product
A
C / (p - v)
B
C / (p + v)
C
C x (p - v)
D
C x (p + v)

Slide 25 - Quizvraag

Een bakkerij heeft € 5000 constante kosten per maand. De verkoopprijs van een brood is € 2,50. De variabele kosten per product zijn € 0,50.

Hoeveel bedraagt de Break Even Afzet
A
2.000
B
5.000
C
500
D
2.500

Slide 26 - Quizvraag