onregelmatige werkwoorden deel 2

Onregelmatige werkwoorden, vervolg
1 / 35
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Onregelmatige werkwoorden, vervolg

Slide 1 - Tekstslide

Verleden tijd - regelmatig
Alles wat gebeurde..

Afkorting: VT
  1. Sterk of zwak?
  2. Zwak - ik vorm
  3. TaXiKoFSCHiP
  4. Ik-vorm + te(n)/ de(n)


Leren
TT
VT
Ik 
Leer
Leerde
Jij/ je/ u
Leer + T
Leerde
Hij/ zij
Leer + T
Leerde
Wij
Leren
Leerden
Jullie
Leren
Leerden
Zij
Leren
Leerden

Slide 2 - Tekstslide

Onregelmatige werkwoorden

Onregelmatige werkwoorden 
krijgen een andere klank.

Dit zijn sterke werkwoorden.

Ze veranderen!

Lopen
TT
VT
Ik 
Loop
Liep
Jij/ je/ u
Loopt
Liep
Hij/ zij
Loopt
Liep
Wij
Lopen
Liepen
Jullie
Lopen
Liepen
Zij
Lopen
Liepen

Slide 3 - Tekstslide

veel voorkomende bijzondere werkwoorden
Er zijn 6 veel voorkomende bijzondere onregelmatige werkwoorden:
Zijn - kunnen - hebben - zullen - mogen - willen 


Slide 4 - Tekstslide

Bijzondere onregelmatige werkwoorden: ZIJN

Bijzondere onregelmatige 
werkwoorden krijgen een 
andere klank/woord.

Dit zijn sterke werkwoorden.

Ze veranderen!

Zijn
TT
VT
Ik 
ben
was
Jij/ je/ u
bent
was
Hij/ zij
is
was
Wij
zijn
waren
Jullie
zijn
waren
Zij
zijn
waren

Slide 5 - Tekstslide

Vul de goede vorm in in de tegenwoordige tijd

Maaike en Theo ............. te laat op school vandaag.
Zijn
A
is
B
zijn
C
was
D
bent

Slide 6 - Quizvraag

Vul de goede vorm in in de tegenwoordige tijd

Samah ............. te laat op school vandaag.
Zijn
A
is
B
zijn
C
was
D
bent

Slide 7 - Quizvraag

Vul de goede vorm in in de verleden tijd

Maaike en Theo ............. te laat op school vandaag.
Zijn
A
is
B
zijn
C
was
D
waren

Slide 8 - Quizvraag

Vul de goede vorm in in de verleden tijd

Jij ............. niet te laat op school vandaag gelukkig.
Zijn
A
is
B
zijn
C
was
D
waren

Slide 9 - Quizvraag

Bijzondere onregelmatige werkwoorden: hebben
hebben
TT
VT
Ik 
heb
had
Jij/ je/
 u
hebt/
heeft
had
Hij/ zij
heeft
had
Wij
hebben
hadden
Jullie
hebben
hadden
Zij
hebben
hadden

Slide 10 - Tekstslide

Wat is goed? Tegenwoordige tijd.

Achmed ....... al heel lang een stageplek!
hebben
A
heb
B
hebt
C
heeft
D
had

Slide 11 - Quizvraag

Wat is goed? Tegenwoordige tijd.

....... jij al een stageplek gevonden?
hebben
A
heb
B
hebt
C
heeft
D
had

Slide 12 - Quizvraag

Wat is goed? Verleden tijd.

Achmed en Peter ....... al meteen een leuk gesprek met de bewoners.
hebben
A
hebben
B
had
C
hadden
D
gehad

Slide 13 - Quizvraag

Bijzondere onregelmatige werkwoorden: zullen
Zullen: hulpwerkwoord voor
toekomende tijd.

Ik zal komen.
Zij zouden gaan verhuizen 
= waren van van plan te verhuizen

Zullen
TT
VT
Ik 
zal
zou
Jij/ je/ u
zult/ zal
zou
Hij/ zij
zal
zou
Wij
zullen
zouden
Jullie
zullen
zouden
Zij
zullen
zouden

Slide 14 - Tekstslide

tegenwoordige tijd:

........ ik u naar de eetkamer brengen?
zullen
A
zullen
B
zal
C
zult
D
zou

Slide 15 - Quizvraag

tegenwoordige tijd:

U ........wel verdrietig zijn omdat uw dochter niet kan komen.
zullen
A
zullen
B
zal
C
zult
D
zou

Slide 16 - Quizvraag

tegenwoordige tijd:

........ ik u naar de eetkamer brengen?
zullen
A
zullen
B
zal
C
zult
D
zou

Slide 17 - Quizvraag

verleden tijd:

Wij ......... niet op vakantie gaan, maar gaan toch!
zullen
A
zullen
B
zouden
C
zult
D
zou

Slide 18 - Quizvraag

Bijzondere onregelmatige werkwoorden: mogen
mogen = toestemming hebben
Mam, mag ik een koekje pakken?
Mogen we aan de opdracht
beginnen?

Mogen
TT
VT
Ik 
mag
mocht
Jij/ je/ u
mag
mocht
Hij/ zij
mag
mocht
Wij
mogen
mochten
Jullie
mogen
mochten
Zij
mogen
mochten

Slide 19 - Tekstslide

verleden tijd:

Wij ......... niet op vakantie, vanwege corona!
mogen
A
mogen
B
mag
C
mocht
D
mochten

Slide 20 - Quizvraag

tegenwoordige tijd:

Wij ......... niet te laat komen op stage!
mogen
A
mogen
B
mag
C
mocht
D
mochten

Slide 21 - Quizvraag

tegenwoordige tijd:

..... ik hier mijn auto parkeren?
mogen
A
mogen
B
mag
C
mocht
D
mochten

Slide 22 - Quizvraag

verleden tijd:

Hij ......... een jaar langer over zijn studie doen, vanwege zijn ziekte.
mogen
A
mogen
B
mag
C
mocht
D
mochten

Slide 23 - Quizvraag

Bijzondere onregelmatige werkwoorden: kunnen
kunnen = in staat zijn om te

Piet kan fietsen
Wij kunnen niet komen

Kunnen
TT
VT
Ik 
kan
kon
Jij/ je/ 
u
kan/kunt
kunt
kon
Hij/ zij
kan
kon
Wij
kunnen
konden
Jullie
kunnen
konden
Zij
kunnen
konden

Slide 24 - Tekstslide

tegenwoordige tijd:

Hij ......... helaas niet op mijn verjaardag komen.
kunnen
A
kunnen
B
kan
C
kon
D
konden

Slide 25 - Quizvraag

tegenwoordige tijd:

....... u mij de koffiekan aangeven a.u.b.?
kunnen
A
kunnen
B
kan
C
kun
D
kunt

Slide 26 - Quizvraag

verleden tijd:

Hij ......... helaas niet op mijn verjaardag komen.
kunnen
A
kunnen
B
kan
C
kon
D
konden

Slide 27 - Quizvraag

verleden tijd:

Wij ......... de docent goed volgen.
kunnen
A
kunnen
B
kan
C
kon
D
konden

Slide 28 - Quizvraag

Tegenwoordige tijd:

Ik...
U
Hij...
Wij....
Jullie

Slide 29 - Tekstslide

Verleden  tijd:

Ik...
Hij...
Wij....
Jullie

Slide 30 - Tekstslide

Noteer de zinnen die de docent voorleest.

Slide 31 - Open vraag

Dit is de tekst.  
Gisteren zou ik aan mijn stage beginnen. Dat kon niet doorgaan, want ik was helaas ziek. Ik had me er zo op verheugd.


Wat is het hele werkwoord van de rode werkwoordsvormen?
Noteer op de volgende dia

Slide 32 - Tekstslide

Gisteren(1) zou ik aan mijn stage beginnen. Dat (2) kon niet doorgaan, want ik (3) was helaas ziek. Ik (4) had me er zo op verheugd.
Noteer het hele werkwoord van de persoonsvormen 1 t/m 4

Slide 33 - Open vraag

Dit is de tekst.  
Gisteren zou ik aan mijn stage beginnen. Dat kon niet doorgaan, want ik was helaas ziek. Ik had me er zo op verheugd.


Wat is het hele werkwoord van de rode werkwoordsvormen?
zou -> zullen          was -> zijn
kon -> kunnen          had -> hebben

Slide 34 - Tekstslide

Hoe goed gaat het bij jou met deze onregelmatige werkwoorden? Geef jezelf een cijfer tussen 1 en 10
110

Slide 35 - Poll