Lesweek 4: Rechtstaat en rechtspraak

Rechtstaat en rechtspraak
Lesweek 4
Periode 2 - Politiek juridische dimensie


IOZ
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Rechtstaat en rechtspraak
Lesweek 4
Periode 2 - Politiek juridische dimensie


IOZ

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Programma periode 2
Lesweek 1: Politieke partijen en stemmen​
Lesweek 2: Maatschappelijk vraagstuk & nieuws​
Lesweek 3: Debatteren
Lesweek 4: ​Rechtstaat en rechtspraak
Lesweek 5: Documentaire
Lesweek 6: Verboden woordendebat
Lesweek 7: ​De vrouw in de politiek
Lesweek 8: Bestuur van Nederland
Lesweek 9: Toetsing klassendebat

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Aan het eind van deze les:

Rechtsstaat
  • Weet je wat de kenmerken van een rechtsstaat zijn
  • Weet je wat de scheiding van machten inhoudt
  • Kan je het verschil tussen klassieke en sociale grondrechten uitleggen
Rechtspraak
  • Weet je welke taken de rechters hebben
  • Weet je welke rechtsbronnen de rechters hun uitspraak baseren
  • Kan je uitleggen wat het Openbaar Ministerie (OM) is



Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een rechtsstaat?

Slide 4 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Rechtsstaat
Een land waarin de macht van de overheid wordt beperkt door regels en wetten.

  • de overheid moet zich aan de wet houden
  • er bestaat een scheiding van machten
  • burgers hebben grondrecht

        vastgesteld in de Nederlandse Grondwet > democratische staat

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In de Grondwet staan...
A
alle rechtsregel die te maken hebben de staatsinrichting
B
regels voor de inrichting van de Nederlandste staat

Slide 6 - Quizvraag



A = Constitutie
Trias Politica
Het parlement maakt de wetten
De rechters beslissen of iemand de wet heeft overtreden
De regering, ministeries en politie voeren de wetten uit en handhaven de wet

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Trias Politica
Wetgevende macht vb: Wet leerplicht: kinderen van 5-16 jaar zijn leerplichtig.
Uitvoerende macht vb: De Inspectie van Onderwijs zorgt ervoor dat leerplichtambtenaren controleren of kinderen ook echt naar school gaan.
Rechterlijke macht vb: Een ouder neemt een leerplichtig kind extra lang op vakantie. Mogelijk straf: voor de rechter verschijnen en een boete betalen.

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grondrechten
De belangrijkste rechten die je als burger hebt.

Klassieke grondrechten beschermen burgers tegen de macht van de overheid en elkaar.


Sociale grondrechten verplichten de overheid om voor bepaalde voorzieningen te zorgen.
Recht op privacy
Godsdienstvrijheid
Vrijheid van meningsuiting
Recht op huisvestiging
Recht op onderwijs

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In bepaalde gevallen mag de overheid grondrechten inperken:
  • veiligheid garanderen
  • toestemming van de rechter nodig

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat weet je over rechtspraak?

Slide 12 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Slide 13 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Rechtspraak
Het proces waarin door een rechter een oordeel wordt gevormd over een rechtszaak.

Soms is een conflict/probleem zo groot dat je naar de rechter moet:
  • tussen burgers: vb. echtscheiding
  • tussen burgers en overheid: vb. over een uitkering of boete
  • tussen verdachte en Officier van Justitie: vb. een strafzaak (mishandeling, diefstal of moord)

TAAK: rechter beslist wie er gelijk heeft

Rechter
Iemand die een uitspraak doet over een conflict of een probleem
Rechterspraak
Het nemen van een beslissing door een rechter in een conflict

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In een rechtsstaat is het erg belangrijk dat de rechtspraak eerlijk is.
Voorwaarden voor eerlijke rechtspraak:

Rechters:
  • behandelen iedereen gelijk
  • zijn onafhankelijk
  • zijn onpartijdig
  • zijn objectie

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorwaarde 1: gelijkheid
In een rechtsstaat is iedereen gelijk voor de wet. Rijk of arm, man of vrouw, veel of weinig macht. Rechters behandelen iedereen gelijk.
Voorwaarde 2: onafhankelijkheid
Niemand mag de rechter vertellen welke uitspraak hij moet doen. De wetgevende macht en de uitvoerende macht mogen de beslissing van de rechter niet rechtsstreek beïnvloeden.

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voorwaarde 3: onpartijdigheid
De rechter is neutraal. Hij heeft er geen belang bij dat één va de twee partijen de zaak wint of verliest (mag geen zaak behandelen waar een familielid of kennis bij is betrokken).
Voorwaarde 4: objectiviteit
De rechter moet al zijn beslissingen baseren op feiten. Niet op zijn eigen mening, vermoedens (wat hijzelf denkt, maar niet zeker weet), of druk vanuit de samenleving.

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht
Zoek de volgende termen op:

1. Verdachte
2. Openbaar Ministerie (OM)
3. Officier van Justitie (OvJ)

timer
1:00

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

de termen
Verdachte
Iemand die verdacht wordt van een strafbaar feit.

Openbaar Ministerie (OM)
De instantie die ervoor moet zorgen dat verdachten voor de rechter verschijnen. Werken samen met de politie en andere opsporingsdiensten. 
Sporen verdachten op en verzamelen bewijs.

! OM is géén ministerie! Het OM is onderdeel van de rechterlijke macht. De minister van Justitie is wel politiek verantwoordelijk voor het OM. Dit betekent dat hij aan het parlement moet kunnen uitleggen wat het OM doet.

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

de termen
Officier van Justitie (OvJ)
  • werkt voor het Openbaar Ministerie
  • beslist of iemand voor de rechter moet komen
  • het OM moet de rechter vertellen over hun bevindingen/bewijzen
  • de OvJ vraagt de rechter om een straf
  • de rechter beoordeelt of het OM zijn werk goed heeft gedaan en bepaalt de straf

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke drie rechtsbronnen zijn er?

Slide 21 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Rechtsbronnen
Een wet, verdrag of andere bron waarop een rechter zijn uitspraak baseert.

1. De wet is de belangrijkste rechtsbron: in de wet staat welk gedrag strafbaar is en welke straffen er op misdrijven en overtredingen staan.
2. Een internationaal verdrag is een officiële overeenkomst tussen landen. Verdragen gaan voor de Nederlandse wet.
3. Jurisprudentie is de verzameling van uitspraken die rechters eerder hebben gedaan.

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 23 - Video

Deze slide heeft geen instructies

De instanties waar de rechtszaak wordt gehouden noem je een rechtbank.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Rechter werken voor de rechtbank.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een vonnis is een uitspraak die door de ... in een rechtbank wordt gedaan
A
verdachte
B
officier van justitie
C
rechter

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat vond je van de les?
😒🙁😐🙂😃

Slide 28 - Poll

Deze slide heeft geen instructies