HA2: Kapitel 2: quiz alle stof

Kapitel 2
Wörter, Grammatik
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Kapitel 2
Wörter, Grammatik

Slide 1 - Tekstslide

Doelen

Ik ken de woorden van de Wörterliste A en B


Ik ken de werkwoorden haben/sein


Ik weet wat mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden zijn

Ik weet wanneer ik der, die of das moet gebruiken

Slide 2 - Tekstslide

Wörterliste
Kapitel 2

Slide 3 - Tekstslide

ik kook
A
ich finde
B
ich koche
C
ich frühstücke
D
ich trinke

Slide 4 - Quizvraag

ik ontbijt
A
ich finde
B
ich koche
C
ich frühstücke
D
ich trinke

Slide 5 - Quizvraag

die Nudeln
A
de noedels
B
de pasta
C
de rijst
D
het brood

Slide 6 - Quizvraag

die Kartoffel
A
de aardappel
B
de wortel
C
het fruit
D
de komkommer

Slide 7 - Quizvraag

die Möhre
A
de aardappel
B
de wortel
C
het fruit
D
de komkommer

Slide 8 - Quizvraag

de ham

Slide 9 - Open vraag

het zout

Slide 10 - Open vraag

die Süßigkeiten
A
de pasta
B
de jam
C
het fruit
D
het snoep

Slide 11 - Quizvraag

haben en sein

Slide 12 - Tekstslide

haben & sein

Dat zijn de werkwoorden hebben en zijn. 

Deze heb je in bijna iedere zin nodig.

Slide 13 - Tekstslide

Ik
jij 
hij
zij
het
wij
jullie
zij 
U
ihr 
er
Sie 
wir 
sie (enkelvoud)
du
sie (meervoud)
es
ich 

Slide 14 - Sleepvraag

Het werkwoord sein
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
bin
bist
ist
sind
seid
sind

Slide 15 - Sleepvraag

het werkwoord haben
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
habe
hast
hat
haben
habt
haben

Slide 16 - Sleepvraag

du .................... (haben)
A
habt
B
hast
C
hat
D
haben

Slide 17 - Quizvraag

ihr .................... (sein)
A
bist
B
sind
C
bin
D
seid

Slide 18 - Quizvraag

Agnes und Martin .............
A
seid
B
sind
C
bist
D
ist

Slide 19 - Quizvraag

Das Kind ............
A
bin
B
bist
C
ist
D
seid

Slide 20 - Quizvraag

Warum ............. Sie hier?
A
seid
B
bist
C
ist
D
sind

Slide 21 - Quizvraag

es .................... (haben)
A
habt
B
hast
C
haben
D
hat

Slide 22 - Quizvraag

Ich ........... 14 Jahre alt
A
habe
B
bin

Slide 23 - Quizvraag

wir ................. einen Hund
A
sind
B
haben

Slide 24 - Quizvraag

Mein Freund ............. ein Haus
(haben of sein ? Niet vergeten te vervoegen)

Slide 25 - Open vraag

Was ............ deine Handynummer ?
(haben of sein ? Niet vergeten te vervoegen)

Slide 26 - Open vraag

Warum .......... du jetzt in Hamburg?
(haben of sein ? Niet vergeten te vervoegen)

Slide 27 - Open vraag

Meine Mutter ............ 40 Jahre alt.
(haben of sein ? Niet vergeten te vervoegen)

Slide 28 - Open vraag

Opa und Oma .................... ein neues Auto.

Slide 29 - Open vraag

Das Mittagessen ............. nicht lecker.

Slide 30 - Open vraag

der, die, das
(k)ein, (k)eine

Slide 31 - Tekstslide

Freundin
A
der
B
die
C
das

Slide 32 - Quizvraag

Mädchen
A
der
B
die
C
das
D
den

Slide 33 - Quizvraag

Großmutter
A
der
B
die
C
das

Slide 34 - Quizvraag

Kind
A
der
B
die
C
das
D
den

Slide 35 - Quizvraag

Junge
A
der
B
die
C
das
D
den

Slide 36 - Quizvraag

Jonas ist ein / eine Kind.
A
ein
B
eine

Slide 37 - Quizvraag

Losser ist ein / eine Dorf
A
ein
B
eine

Slide 38 - Quizvraag

Jan und Max sind kein / keine Freunde.
A
kein
B
keine

Slide 39 - Quizvraag

Mein Opa hat kein/keine Haare mehr.
A
kein
B
keine

Slide 40 - Quizvraag

Das ist..............schöne Blume.
A
ein
B
keine

Slide 41 - Quizvraag

Evaluatie
Terugkomen op doelen

Slide 42 - Tekstslide

Doel: Ik ken de woorden van de Wörterliste A en B
A
ja, ik ken A
B
ja, ik ken A en B
C
bijna
D
nee

Slide 43 - Quizvraag

Doel: Ik ken de werkwoorden haben/sein
A
ja
B
bijna
C
nee

Slide 44 - Quizvraag

Doel: Ik weet wat mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden zijn
A
ja
B
bijna
C
nee

Slide 45 - Quizvraag

Doel: Ik weet wanneer ik der, die of das moet gebruiken

A
ja
B
bijna
C
nee

Slide 46 - Quizvraag