Toets module 1 meten is weten

Toets Module 1
Meten is weten
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 2

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Toets Module 1
Meten is weten

Slide 1 - Tekstslide

GROOTHEDEN
EENHEDEN
massa
afstand
snelheid
volume
gram
kilogram
meter
liter
kubieke cm
km/h

Slide 2 - Sleepvraag

9 m = .... cm
58 000 mm = .... hm
A
0,058
B
0,58
C
5,8
D
58

Slide 3 - Quizvraag

9 m = .... cm
9 m = .... cm
A
90
B
900
C
9 000
D
90 000

Slide 4 - Quizvraag

Wat is de juiste gewichtsmaat?

In een paracetamol zit 400 .... werkzame stoffen.
A
milligram
B
gram
C
kilogram
D
ton

Slide 5 - Quizvraag

wat is hetzelfde als

0,3 ton
A
3 kg
B
30 kg
C
300 kg
D
3000 kg

Slide 6 - Quizvraag

Een potlood weeg je in
A
kg
B
g
C
mg
D
dg

Slide 7 - Quizvraag

Welk gewicht moet er
op de weegschaal?
A
28,50 KG
B
0,258 KG
C
2,850 KG

Slide 8 - Quizvraag

De lengte van Jan is 1,92 m.
De lengte van zijn vrouw is 1,74 m.
Hoeveel cm is Jan groter?
A
0,18 cm
B
1,8 cm
C
18 cm
D
180 cm

Slide 9 - Quizvraag

Om de lengte van het klaslokaal te meten is een geschikt meetinstrument:
A
micrometer
B
geodriehoek
C
schuifmaat
D
rolmaat

Slide 10 - Quizvraag

Deze thermometer is een:
A
digitaal meetinstrument
B
analoog meetinstrument

Slide 11 - Quizvraag

Welk woord in de volgende zin is een grootheid:
de lengte van het klaslokaal is 6 meter.

Slide 12 - Open vraag

Hoeveel mL zit er in elke maatcilinder?

(je kan op het plaatje klikken)

Slide 13 - Open vraag

Leg uit wat het verschil is tussen de wetenschap natuurkunde en scheikunde.

Slide 14 - Open vraag

Wat meet je met welk meetinstrument?
Omtrek pols meten
lengte van een lokaal opmeten
dikte van een boek opmeten
Afbeelding in boek opmeten

Slide 15 - Sleepvraag

Sleep de juiste maat naar de goede liniaal.
10 mm
30 cm
20 cm
20 mm
3 cm
10 cm

Slide 16 - Sleepvraag

Wat is het Volume van de balk? (Schrijf je berekening op!)

Slide 17 - Open vraag

Onderdompelmethode.
Wat is het volume van de steen (schrijf je berekening op!)

Slide 18 - Open vraag


0,6km​2​​=
A
6000m​2​​
B
600000m​2​​
C
0,0006m​2​​
D
0,0000006m​2​​

Slide 19 - Quizvraag

8900 Pa
A
8,9 hPa
B
890 hPa
C
89 hPa
D
0,89 hPa

Slide 20 - Quizvraag


7,2⋅10​6​​J=
A
1,8 kWh
B
2 kWh
C
2,3 kWh
D
7,2 kWh

Slide 21 - Quizvraag

Hoeveel decimalen heeft het onderstaande getal?

347,9
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 22 - Quizvraag

Vul het juiste getal in op de stippellijn

1000.000.000 = 10^…..

Slide 23 - Open vraag

Vul het juiste getal in op de stippellijn

10 = 10^…..

Slide 24 - Open vraag

Vul het juiste getal in op de stippellijn

1 = 10^…..

Slide 25 - Open vraag

Vul het juiste getal in op de stippellijn

0,000001 = 10^…..

Slide 26 - Open vraag

Wat is de juiste wetenschappelijke notatie van:

8320
A
83,20 x 10^2
B
8,320 x 10^3
C
0,8320 x 10^4
D
Geen van deze antwoorden is juist

Slide 27 - Quizvraag

In welke eenheid vind je de snelheid (V), wanneer je de afgelegde weg (S) invult in hectometer en de tijd (t) in seconde?

V = S / t

Slide 28 - Open vraag

= m / v

Het volume wordt in km^3 ingevuld en de massa wordt in centigram ingevuld. Welke eenheid heeft de dichtheid (rho)?
ρ

Slide 29 - Open vraag

W = F x s
In welke eenheid vind je de arbeid (W)
Wanneer je de afstand invult in decimeter en de kracht in kilonewton?

Slide 30 - Open vraag

E = P x t
In welke eenheid vind je de Energie (E)
Wanneer je de tijd invult in uur en het vermogen in watt?

Slide 31 - Open vraag

C = I x t
In welke eenheid vind je de de capaciteit (C)
Wanneer je de tijd invult in seconden en de stroomsterkte in milliampere?

Slide 32 - Open vraag

U = I x R
Zet I vooraan
A
I = U / R
B
I = R / U
C
I = U x R
D
I = R x U

Slide 33 - Quizvraag

E = P x t

Zet P vooraan
A
P = t / E
B
P = E / t
C
P = E x t

Slide 34 - Quizvraag

m
--------- = rho
V
Zet m vooraan
A
m = rho / V
B
m = V / rho
C
m = rho x V

Slide 35 - Quizvraag

Zet r vooraan

m x v^2
F = --------------
r
A
r = F x m / v^2
B
r = v^2 x F /m
C
r = m x v^2 / F
D
Geen van de bovenstaande antwoorden is juist

Slide 36 - Quizvraag

Zet de r vooraan.
2 r
V = ---------
T
π
A
2pi x V r = --------- T
B
2pi r = -------- VxT
C
VxT r = ------- 2pi
D
r = V x T x 2pi

Slide 37 - Quizvraag

In welke situatie is de formule juist omgezet?
1/f = 1/b + 1/v
A
1/b = 1/f + 1/v
B
1/b = 1/v - 1/f
C
1/b = 1/f - 1/v
D
Geen van deze antwoorden is juist

Slide 38 - Quizvraag

Ez = m x g x h
Zet de h vooraan
A
h = m x g / Ez
B
h = Ez / m x g
C
h = Ez / (m x g)
D
h = Ez / m / g

Slide 39 - Quizvraag

Wat voor verband zie je in de afbeelding?
A
Lineair verband
B
Recht evenredig verband
C
Omgekeerd evenredig verband
D
Kwadratisch verband

Slide 40 - Quizvraag

Wat voor verband zie je in de afbeelding?
A
Lineair verband
B
Recht evenredig verband
C
Omgekeerd evenredig verband
D
Kwadratisch verband

Slide 41 - Quizvraag

Wat voor verband zie je in de afbeelding?
A
Lineair verband
B
Recht evenredig verband
C
Omgekeerd evenredig verband
D
Kwadratisch verband

Slide 42 - Quizvraag

Wat voor verband zie je in de afbeelding?
A
Lineair verband
B
Recht evenredig verband
C
Omgekeerd evenredig verband
D
Kwadratisch verband

Slide 43 - Quizvraag

Bekijk de afbeelding en beantwoord de vraag.
A
Antwoord A is juist
B
Antwoord B is juist
C
Antwoord C is juist

Slide 44 - Quizvraag

Bekijk de afbeelding. Waar bevindt zich de grootste meetfout?
A
20:155
B
30:294
C
40:480
D
50:491

Slide 45 - Quizvraag

Fz = m x g
Bereken g in m/s^2, afronden op 2 decimalen)

Slide 46 - Open vraag