NT2 GRAMMATICA onregelmatige werkwoorden 2

NT2 GRAMMATICA onregelmatige werkwoorden 2
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

NT2 GRAMMATICA onregelmatige werkwoorden 2

Slide 1 - Tekstslide

Verleden en voltooide tijd

Slide 2 - Tekstslide

Ik was mijn boek kwijt.
Het (betreffen) een duur boek.
A
heeft betreft
B
betreft
C
betrof
D
betroft

Slide 3 - Quizvraag

Het (bevallen) mij wel, zo'n klein klasje.
A
beviel
B
bevalt
C
heeft bevallen
D
is bevallen

Slide 4 - Quizvraag

Het was moeilijk, maar zij (doorgaan) gewoon....
A
doorgaat
B
doorging
C
gaat door
D
ging door

Slide 5 - Quizvraag

Mijn zus (bevallen) gisteren van een dochter.
A
is bevallen
B
bevalde
C
bevalt
D
beviel

Slide 6 - Quizvraag

Vorige week (doorbrengen) ik mijn dag .... met mijn vriendin.
A
brengt door
B
bracht door
C
breng door
D
gebracht door

Slide 7 - Quizvraag

Gisteren (doorgaan) het concert niet...
A
ging door
B
gaat door
C
gang door
D
gaan door

Slide 8 - Quizvraag

Hij was rijk; hij (bezitten) 1000 euro.
A
bezit
B
is bezat
C
bezot
D
bezat

Slide 9 - Quizvraag

Toen ik klein was,
(drinken) ik graag ranja.
A
drink
B
drunk
C
dronk
D
drank

Slide 10 - Quizvraag

Toen ik klein was,
(dragen) ik rode laarzen.
A
draagde
B
gedroeg
C
droog
D
droeg

Slide 11 - Quizvraag

Ze sloot zich af; ik (doordringen) moeilijk tot haar ...
A
drong door
B
dringde door
C
door drong
D
drang door

Slide 12 - Quizvraag

Gisteren (betrekken) hij haar bij de les.
A
betrak
B
betrekte
C
betroek
D
betrok

Slide 13 - Quizvraag

Het blaadje (drijven) toen weg.
A
drijfde
B
draaf
C
dreef
D
droof

Slide 14 - Quizvraag

Hij had haast en (dringen) voor in de rij.
A
dringde
B
drong
C
drang
D
gedrongen

Slide 15 - Quizvraag

We (doorlopen) flink ... om op tijd te zijn.
A
liepen door
B
lopen door
C
loopten door
D
loopden

Slide 16 - Quizvraag

Toen hij zijn knie (buigen), deed het pijn.
A
buigde
B
baag
C
boog
D
buigt

Slide 17 - Quizvraag

Wij hebben Gent (bezoeken).
A
bezoekte
B
bezoekt
C
bezogt
D
bezocht

Slide 18 - Quizvraag

In de kerk heb jij (bidden).
A
gebeden
B
gebit
C
gebid
D
gebied

Slide 19 - Quizvraag

Wij hebben ons in een moeilijke positie (bevinden).
A
bevinden
B
bevind
C
bevonden
D
bevond

Slide 20 - Quizvraag

Zij hebben de tas vast op de fiets (binden).
A
gebonden
B
bebonden
C
bonden
D
gebinden

Slide 21 - Quizvraag

Ze zaten muisstil; ze hebben zich niet (bewegen).
A
gebewegen
B
bewegen
C
bewagen
D
bewogen

Slide 22 - Quizvraag

Ik liet het vallen en nu is het kopje (breken).
A
gebroken
B
gebreken
C
broken
D
gebrokken

Slide 23 - Quizvraag

Je ging niet weg, maar je bent (blijven).
A
geblijft
B
gebleven
C
gebloven
D
gebleef

Slide 24 - Quizvraag

Het (blijken) dat hij niet had geleerd.
A
blaak
B
blook
C
blijkte
D
bleek

Slide 25 - Quizvraag

Gisteren heeft zij koekjes (brengen).
A
gebrengt
B
bracht
C
gebracht
D
brengt

Slide 26 - Quizvraag

We hebben dat samen goed (doen).
A
gedaan
B
gedoend
C
gedoet
D
gedaand

Slide 27 - Quizvraag

Ik heb de laatste tijd veel aan jou (denken).
A
gedachte
B
gedenkt
C
gedachd
D
gedacht

Slide 28 - Quizvraag

Hij heeft (deelnemen) aan de wedstrijd.
A
deelgenamen
B
deelgeneemd
C
deelgenomen
D
deelname

Slide 29 - Quizvraag