Stunde 4: regelmäßige Verben + Lesen

Guten Tag
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Guten Tag

Slide 1 - Tekstslide

Heute:
Diese Stunde:

- Regelmäßige Verben
- Üben mit regelmäßigen Verben
- Lesen


Slide 2 - Tekstslide

Am Ende der Stunde

  • kan ik de regelmatige werkwoorden vervoegen
  • weet ik welke uitzonderingen er zijn bij de regelmatige werkwoorden
  • kan ik een tekst goed begrijpen + daarover vragen beantwoorden

Slide 3 - Tekstslide

Welke regel gebruiken we voor de uitgangen van de regelmatige werkwoorden?

Slide 4 - Woordweb

sie (ev)
Sie
wir
sie (mv)
ihr
ich
du
er
es
-st
-e
-en
-t

Slide 5 - Sleepvraag

Vul het juiste vorm in:
......... du auch gern (kochen)
A
Kocht
B
Kochen
C
Kochtet
D
Kochst

Slide 6 - Quizvraag

Kies het juiste vorm:
Er ...... ein Glas Bier (bestellen)
A
Bestellt
B
Bestellst
C
Bestellen
D
Bestell

Slide 7 - Quizvraag

Kies het juiste vorm:
Meine Kollegin Claudia ...... sofort Ihre Bestellung (bringen)
A
Bringe
B
Bringt
C
Bringen
D
Bringst

Slide 8 - Quizvraag

Er hat ein Glas Bier ................
A
Bestellt
B
Bestellst
C
Bestellen
D
Bestell

Slide 9 - Quizvraag

Slide 10 - Tekstslide

Übungen machen
Macht die Übungen 
Auf Seite 141, 142 und 143


Wiederhole zuerst die Aufgaben von Kapitel 1 & 2 
(H: Grammatik) wenn es zu schwierig ist.

Slide 11 - Tekstslide

0

Slide 12 - Video

Am Ende der Stunde

  • kenne ich die Wechselpräpositionen (3e/4e nv)
  • kann ich diese Präpositionen in einfachen Sätze verwenden
  • weiß ich, was ich (noch) lernen muss

Slide 13 - Tekstslide

Vul in.
Das Auto steht vor d...…. Garage (v)

Slide 14 - Open vraag

Antwoord + uitleg:
Vertaald: De auto staat vor d.... garage (v).
vor (voor) = keuzevoorzetsel
Het werkwoord 'staat' is geen beweging. Je kunt vragen 'waar'? Dus Dativ (3e naamval) vrouwelijk.

Dus: Das Auto steht vor der Garage (v)

Slide 15 - Tekstslide

Vul in.
Das Heft fällt auf d...…...Boden (m).

Slide 16 - Open vraag

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Het schrift valt op de grond.
op = keuzevoorzetsel
Het werkwoord 'vallen' is een beweging.
Dus Akkustiv (4de naamval) mannelijk.

Dus: Das Heft fällt auf den Boden (m).


Slide 17 - Tekstslide

Das Buch liegt auf d... Tisch(m).
A
dem
B
den

Slide 18 - Quizvraag

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Het boek ligt op de tafel.
op = keuzevoorzetsel
Je kunt vragen 'waar'? 
Antwoord: ligt op de tafel. Dus Dativ (3e naamval).

Dus: Das Buch liegt auf d... Tisch (m).

Slide 19 - Tekstslide

Das Bild hängt an d.... Wand (v).
A
die
B
der

Slide 20 - Quizvraag

Antwoord + uitleg:
Vertaald: De foto hangt aan de muur.
an (aan) = keuzevoorzetsel
Je kunt vragen 'waar'? Antwoord: aan de muur. 
Dus Dativ (3e naamval) vrouwelijk.

Dus: Das Bild hängt an der Mauer (v).

Slide 21 - Tekstslide

Vul in.
Ich lege deinen Schlüssel auf d... Tisch (m).

Slide 22 - Open vraag

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Ik leg jouw sleutel op de tafel.
auf (op) = keuzevoorzetsel
Het gaat hier om een beweging (iets neer leggen). 
Dus Akkusativ (4e naamval.)

Dus: Ich lege deinen Schlüssel auf den Tisch.


Slide 23 - Tekstslide

Vul in.
Stehst du immer so lange vor d.... Spiegel (m)?

Slide 24 - Open vraag

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Sta jij altijd zo lang voor de spiegel?
vor (voor) = keuzevoorzetsel
Je kunt vragen 'Waar?', zich bevinden, dus Dativ (3e naamval)

Dus: Stehst du immer so lange vor dem Spiegel?

Slide 25 - Tekstslide

Vul in.
Ich warte (voor de) Apotheke (v).

Slide 26 - Open vraag

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Ik wacht voor de apotheek.
vor (voor) = keuzevoorzetsel
Je kunt vragen 'Waar?'. Dus 3e naamval.

Dus: Ich warte (voor de) Apotheke (v).
1de naamval -> die (1)                 der (3).
Antwoord: Ich warte vor der Apotheke (v).


Slide 27 - Tekstslide

Antwoord + uitleg:
Vertaald: Mijn opa gaat op de bank in het park zitten.
auf (op) = keuzevoorzetsel
'gaan zitten' is een beweging. Dus 4e naamval.

Dus: Mein Opa setzt sich (op de) Bank (v) im Park.
1de naamval -> die (1)                 die (4).
Antwoord: Mein Opa setzt sich auf die Bank (v) im Park.


Slide 28 - Tekstslide