V4.NE6 Stijl en poëzie - les 2: Beeldspraak

Beeldspraak
Laagland leerwerkboek A, p. 55 - 57
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 4 videos.

Onderdelen in deze les

Beeldspraak
Laagland leerwerkboek A, p. 55 - 57

Slide 1 - Tekstslide

Bestudeer de eerste twee alinea's van paragraaf 2.3 op p. 55 van Laagland leerwerkboek A. Beantwoord daarna de vraag.

Wat is beeldspraak? Maak in je antwoord gebruik van de begrippen 'object' en 'beeld' en geef ook een voorbeeld.

Slide 2 - Open vraag

beeldspraak
In het instructiefilmpje hiernaast worden vier vormen van beeldspraak besproken.
 
Bekijk het filmpje en/of bestudeer paragraaf 2.3 (p. 55-57) uit Laagland leerwerkboek A. Bestudeer in elk geval paragraaf 2.3.4 en 2.3.5 over synesthesie en symboliek; deze theorie komt niet terug in het filmpje.

Maak daarna de vragen op de volgende slides. 

Slide 3 - Tekstslide

Wat is het verschil tussen beeldspraak en symboliek?

Slide 4 - Open vraag

'Ze zingt ontzettend mooi: ze is net een nachtegaal.'

Welke vorm van beeldspraak?
A
vergelijking
B
metafoor (in strikte zin)
C
metonymia
D
synesthesie

Slide 5 - Quizvraag

'Ze zingt ontzettend mooi: ze is net een nachtegaal.'

Wat is het object en wat is het beeld?

Slide 6 - Open vraag

'Hij gebruikte veel bittere woorden.'

Welke vorm van beeldspraak?
A
vergelijking
B
metafoor (in strikte zin)
C
metonymia
D
synesthesie

Slide 7 - Quizvraag

'Hij gebruikte veel bittere woorden.'
Leg uit waarom dit een synesthesie is: welke zintuiglijke gebieden worden gecombineerd?

Slide 8 - Open vraag

'Ik brand van verlangen.'

Welke vorm van beeldspraak?
A
vergelijking
B
metafoor (in strikte zin)
C
metonymia
D
personificatie

Slide 9 - Quizvraag

'Ik brand van verlangen.'

Wat is het object en wat is het beeld?

Slide 10 - Open vraag

'De wind fluistert door de bladeren.'

Welke vorm van beeldspraak?
A
vergelijking
B
metafoor (in strikte zin)
C
metonymia
D
personificatie

Slide 11 - Quizvraag

'De wind fluistert door de bladeren.'

Wat wordt er in letterlijke zin bedoeld?

Slide 12 - Open vraag

'Het Rijksmuseum heeft twee Rembrandts aangeschaft.'

Welke vorm van beeldspraak?
A
vergelijking
B
metafoor (in strikte zin)
C
metonymia
D
personificatie

Slide 13 - Quizvraag

'Het Rijksmuseum heeft twee Rembrandts aangeschaft.'
Wat is het object en wat is het beeld?

Slide 14 - Open vraag

'Mijn neefje ging er als een haas vandoor.'

Welke vorm van beeldspraak?
A
vergelijking
B
metafoor (in strikte zin)
C
metonymia
D
personificatie

Slide 15 - Quizvraag

'Mijn neefje ging er als een haas vandoor.'

Wat is het object en wat is het beeld?

Slide 16 - Open vraag

'Heb jij de nieuwste Herman Koch al gelezen?'

Welke vorm van beeldspraak?
A
vergelijking
B
metafoor (in strikte zin)
C
metonymia
D
personificatie

Slide 17 - Quizvraag

'Heb jij de nieuwste Herman Koch al gelezen?'

Wat is het object en wat is het beeld?

Slide 18 - Open vraag

'Dat schaap heeft zich weer beet laten nemen.'

Welke vorm van beeldspraak?
A
vergelijking
B
metafoor (in strikte zin)
C
metonymia
D
personificatie

Slide 19 - Quizvraag

'Dat schaap heeft zich weer beet laten nemen.'

Wat is het object en wat is het beeld?

Slide 20 - Open vraag

'In het zonlicht dansten talloze stofjes.'

Welke vorm van beeldspraak?
A
vergelijking
B
metafoor (in strikte zin)
C
metonymia
D
personificatie

Slide 21 - Quizvraag

'In het zonlicht dansten talloze stofjes.'

Wat wordt er in letterlijke zin bedoeld?

Slide 22 - Open vraag

Beeldspraak komt veel voor in literatuur en ook in liedjes.

Luister op de volgende slide naar een fragment uit het nummer IJskoud van Nielson.

Beantwoord daarna de volgende vraag op slide 25: welk stukje uit de tekst van IJskoud bevat een personificatie?

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Video

Welk stukje uit de tekst van IJskoud bevat een personificatie?
A
En je woorden maken wolkjes in de lucht
B
Een rilling loopt een rondje op m’n rug
C
Waarom maak je alles stuk?
D
Waarom zou je dat doen?

Slide 25 - Quizvraag

Luister op de volgende slide naar een fragment uit het nummer Thuis van Snelle.

Beantwoord daarna de volgende vragen op slide 29:

1. Noem twee vormen van beeldspraak uit dit fragment.
2. Zet erachter welke vorm van beeldspraak het is: vergelijking, metafoor, metonymia, enz.

Slide 26 - Tekstslide

0

Slide 27 - Video

En ik kan niet onder woorden brengen wat
Er gebeurt als ik het huis binnenstap, maar
Het is als de aankomst in de haven na een lange tijd op zee
Hier staan mijn voeten op de aarde
En mijn jeugd op dvd, en
Lang niet vaak genoeg is deze tijd aan ons besteed
Maar nergens tikt die zo en is de puzzel zo compleet
Ik ben thuis, hier ben ik thuis
Hier ben ik thuis
Hieronder vind je nog eens de tekst van het fragment dat je net hebt beluisterd.
De vragen staan op de volgende slide.

Slide 28 - Tekstslide

1. Noem twee vormen van beeldspraak uit dit fragment.
2. Zet erachter welke vorm van beeldspraak het is: vergelijking, metafoor, metonymia, personificatie of synesthesie?

Slide 29 - Open vraag

Ook politici zetten regelmatig beeldspraak in.
Bekijk op de volgende slide het fragment uit Even tot hier.

Beantwoord daarna de volgende vragen op slide 32:
1. Noem drie metaforen die je in het fragment hoort.
2. Waarom zouden Rutte en De Jonge deze metaforen gebruiken?

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Video

1. Noem drie metaforen die je in het fragment hoort.

2. Waarom zouden Rutte en De Jonge deze metaforen gebruiken, denk je?

Slide 32 - Open vraag

Bekijk op de volgende slide nog een kort fragmentje uit Even tot hier.

Beantwoord daarna de volgende vragen op slide 35:

1. Wat is het beeld in de vergelijking die Hugo de Jonge maakt? En wat is het object?
2. Waarom maakt De Jonge specifiek deze vergelijking?

Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Video

1. Wat is het beeld in de vergelijking die Hugo de Jonge maakt? En wat is het object?
2. Waarom maakt De Jonge specifiek deze vergelijking?

Slide 35 - Open vraag

Schrijf een kort tekstje over jouw schooldag tot nu toe. Gebruik in je tekst minstens één metafoor (in strikte zin), één vergelijking en één vorm van metonymia.

Slide 36 - Open vraag