POÉZIE-STIJLFIGUREN (THEORIE)

stijlfiguren

1 / 81
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsSecondary Education

In deze les zitten 81 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

stijlfiguren

Wat is STIJL?


Dichters gebruiken stijlfiguren

Om HUN eigen stijl te laten zien

Of om een bepaald effect te creëren


Met stijlfiguren willen dichters



Nadruk leggen



Hoe leg je – met nadruk – aan je ouders uit dat je echt heel moe bent

Enumeratie : 3 soorten

HOE EINDIGT DIT GEDICHT VAN PAUL VAN OSTAIJEN?

SPLEEN POUR RIRE

Het meisje dat te Pampelune geboren

tans te Honoloeloe woont

en in een rode lakkooi gevangen houdt

een kobaltblauwe papegaai

-zij schilderde hem met Ripolinkoeleuren

zoals gezeid de veren blauw

de snavel en de poten geel –

het meisje van Pampelune te Honoloeloe

dat om haar hoge hals heeft een krans

van purperen anemonenop haar opalen borst kleine barokkoralen

en om haar dijen niets

(Vogelveren dorsten haar dijen niet te dragen

zo zeer zijn dun haar dunne dijen)

dit pampeluner meisje dat te Honoloeloe woont

ken ik niet



antithese


  • Het leven is lang

  • Het leven is kort

  • ….


  • Buiten is het donker

  • Ik zie de lichtjes



Bedenk zelf een ANTITHESE



repetitio





parallellisme

Mijn leven


Mijn leven is maar denken

en daden ken ik niet;

mijn leven is verlangen,

bezitten doe ik niet;


mijn leven is maar lijden,

maar klagen doe ik niet;

mijn leven is mijn leven,

maar leven doe ik niet.


J. Philip van Goethem (1885 –1913)







Wat is het verschil tussen een tautologie en een pleonasme?

https://quiz.ntr.nl/quiz/start/quiz_id/215




Witte sneeuw en ronde cirkels:

A

pleonasme

B

tautologie

C

enumeratie

D

repetitio

Ik ben moe, doodmoe, kapot.

A

pleonasme

B

tautologie

C

enumeratie

D

repetitio

Hij is eenzaam en alleen

A

pleonasme

B

tautologie

C

enumeratie

D

repetitio

In de donkere nacht schijnt een helder licht

A

parallellisme

B

antithese

C

enumeratie

D

repetitio

Eerst won hij brons, toen pakte hij zilver, nu heeft hij goud.

A

enumeratie

B

antithese

C

parallellisme

D

repetitio

Looft, alle volken, looft den Heer, roemt, alle naties, roemt zijn eer (Liedboek voor de kerken, 1973, p. 202)

A

parallellisme

B

antithese

C

enumeratie

D

repetitio

“Je hebt mensen en je hebt mensen”

A

parallellisme

B

antithese

C

enumeratie

D

repetitio

“Spreken is zilver, zwijgen is goud”

A

parallellisme

B

antithese

C

enumeratie

D

repetitio

LICHTER UITDRUKKEN

HOE ZEG JE…

  • Oma is dood

  • Je bent geschorst op school

  • Je hebt 5 tekorten op je rapport

  • Je moet 200 medewerkers ontslaan


eufemisme



understatement

Deze stijlfiguur is een vorm van verzachting, vaak met een humoristisch effect.


ZWAARDER UITDRUKKEN

EEN OVERDRIJVING DUS

  • Ik schrok me een ongeluk

  • Ik zie geen hand voor ogen

  • Wil je even een seconde wachten?

Ik heb mijn lakens nat gehuild van verdriet

A

Eufemisme

B

hyperbool

C


D


Hij is enige tijd uit de roulatie

A

Eufemisme

B

hyperbool

C


D



Met stijlfiguren willen dichters

Aan het
denken zetten

Paradox
een schijnbare tegenstelling

  • Als men denkt, dan bestaat men dus, maar er zijn mensen die denken en niet bestaan.

  • Zelfs als je altijd eerlijk bent, lieg je wel eens.

  • In een vorig leven geloofde ik in reïncarnatie, maar nu helemaal niet meer.

  • Iedereen is uniek, behalve ik (Herman Brusselmans)

  • Ik leg me toe op ’t schrijven van levend hollandsch. Maar ik heb schoolgegaan. (Multatuli)


Bedenk zelf een paradox

Een levende dode

A

paradox

B

pleonasme

C

tautologie

D

hyperbool

Het was een feest voor oud en jong

A

paradox

B

antithese (tegenstelling)

C

pleonasme

D

tautologie

Weggaan is een soort van blijven

A

pleonasme

B

tautologie

C

paradox

D

eufemisme

RETORISCHE VRAAG
een vraag waarop je geen antwoord verwacht

  • Dominee: "En zijn wij niet allen zondaars?"


  • Leraar: "Je wil toch later goed verdienen?"

Bedenk zelf een retorische vraag

WELKE STIJLFIGUUR HERKEN JE?

  1. Ik heb me heel jong al heel oud gevoeld.

  2. Nog één zo’n overwinning en ik ben verloren.

  3. Sentimentele romantici genieten vaak van het verdriet dat ze hebben.

  4. Op het feest was van alles te doen voor groot en klein.

  5. De aangenaam verwarmde hut staat eenzaam en alleen in het kille bos.

  6. De zon schijnt een donker licht.

  7. Veel werknemers in grote bedrijven voelen zich tegenwoordig eenzamer naarmate zij met meer mensen om zich heen moeten werken.

  8. Als je goed luistert kan je de stilte horen.

om
HUMOR
TE CREËREN



OVER DRIE SOORTEN VAN LACHEN


This Photo by Unknown Author is licensed under CC BY-SA

This Photo by Unknown Author is licensed under CC BY-SA

This Photo by Unknown Author is licensed under CC BY-SA

Giechelen is iets wat je nooit helemaal doet,

Altijd bijna, tenminste als je een meisje bent

Van wie niemand weet of ze achter haar hand

De woorden “hihi” opeet, of zomaar een koekje.

Giechelen doe je als je 17 ben

En bijna moet lachen om wat

Bijna gezegd is


Schateren daarentegen zijn drie

Lettergrepen als dokwerkers

Die elkaar daverend op de schouder slaan,

Schateren is het proletariaat van de lach

Ik droom van een revolutie

Die alles zal wegschateren,

Dan zal er niet meer gelachen worden!


Schrijf ik op mijn 30. En glimlachen

Is helaas wat je daar vermoedelijk

Op je 50ste om doet.

WOORDSPELING

Ironie – sarcasme - cynisme

Zo zou een leraar kunnen zeggen tegen een leerling die te laat komt:“Je vindt het toch niet erg dat we al begonnen zijn?”



De leraar tegen een verlegen meisje:“Je kletst me de oren van het hoofd.”

Om te spelen met
taal

ONOMATOPEE

ARCHAÏSME

NEOLOGISME

Zo gebruikte Herman Gorter woorden als:

  • Trilbomen

  • Tintelluchten

  • Blauwenwitluchten

  • trilluchten.

Bedenk zelf een nieuw woord

benoem de stijlfiguren

Jong geleerd is oud gedaan

A

tautologie

B

antithese

C

eufemisme

D

paradox

Ik heb niets om aan te trekken

A

tautologie

B

hyperbool

C

eufemisme

D

paradox

Je denkt toch niet dat ik gek ben?

A

tautologie

B

hyperbool

C

eufemisme

D

retorische vraag

Paul heeft een grote mond maar een klein hartje

A

tautologie

B

antithese

C

eufemisme

D

paradox

Die De Bruyne kan wel een aardig balletje trappen.

A

tautologie

B

hyperbool

C

understatement

D

retorische vraag

Jij boft. Met zo´n leeg hoofd kan je geen hersenschudding krijgen.

A

ironie

B

sarcasme

C

eufemisme

D

cynisme

Gisteren is oma van ons heengegaan.

A

ironie

B

sarcasme

C

eufemisme

D

cynisme

Ik zou mezelf nooit ofte nimmer inschrijven voor "Blind getrouwd"

A

pleonasme

B

tautologie

C

eufemisme

D

cynisme

TEST Poëzie

1

woensdag 25 februari

2

vrijdag 27 februari