online les H3 herhalen grammatica toets 2

Herzlich Willkommen

1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Herzlich Willkommen

Slide 1 - Tekstslide

Wichtig:
Diese Woche lernen: 

Vokabeln Schritt 30, 33, 37 NL-D en D-NL
Vokabeln Schritt 35 D-NL

Slide 2 - Tekstslide

Heute
  • Herhaling ontleden 1e, 3e en 4e naamval
  • Herhaling voorzetsels 3e naamval 
                Lernziele dieser Unterrichtsstunde:

1. Je weet hoe je het stappenplan naamvallen moet gebruiken.
2. Je kunt zinnen in het Duits ontleden.
3. Je kent de vormen van de DER-groep en EIN- Gruppe.
4. typische Aufgabenformate der Klassenarbeit sicher bearbeiten.
5. das eigene Können realistisch einschätzen („Das kann ich / das muss ich noch üben“).


Slide 3 - Tekstslide

Grammatik Wiederholung
Der Vater sucht das Geld.

Vertalen naar het Nederlands.
De zelfstandige naamwoorden onderstrepen
De onderstreepte woorden vervangen met hij of hem. / Of: Wie/Wat? voor onderwerp, Wie/Wat + gezegde voor het lijdend voorwerp
Hij is onderwerp
Hem is lijdend voorwerp  

Slide 4 - Tekstslide

Onderwerp, gezegde en lijdend voorwerp
Bijv: De leraar heeft een auto gekocht.

Slide 5 - Tekstslide

Onderwerp, gezegde en lijdend voorwerp
Bijv: De leraar heeft een auto gekocht.


1. Onderstreep alle zelfstandige naamwoorden.

Slide 6 - Tekstslide

Onderwerp, gezegde en lijdend voorwerp
Bijv: De leraar heeft een auto gekocht.


1. Onderstreep alle zelfstandige naamwoorden.

Slide 7 - Tekstslide

Onderwerp, gezegde en lijdend voorwerp
Bijv: De leraar heeft een auto gekocht.


2. Vervang een zelfstandig naamwoord met het woord hij of hem.

Slide 8 - Tekstslide

Onderwerp, gezegde en lijdend voorwerp
Bijv: De leraar heeft een auto gekocht.
2. Vervang een zelfstandig naamwoord met het woord hij of hem.
Hij heeft hem gekocht.

hij is een onderwerp
hem is lijdend voorwerp


Slide 9 - Tekstslide

Der Gruppe & Ein Gruppe

Slide 10 - Tekstslide

Kurz üben...

Slide 11 - Tekstslide



De bepaalde lidwoorden en dies-, jed-, jen-, manch-, solch- etc. horen bij de .... 
A
der-Gruppe
B
ein-Gruppe

Slide 12 - Quizvraag

Onzijdig woord der-Gruppe in de vierde naamval
A
der
B
das
C
die
D
dem

Slide 13 - Quizvraag

welke woorden horen bij de:
der Gruppe
A
dies-
B
mein-
C
solch-
D
manch-

Slide 14 - Quizvraag

welke woorden horen bij de:
der Gruppe
A
dein-
B
ihr-
C
dem
D
die

Slide 15 - Quizvraag

De bezittelijke voornaamwoorden (mein, dein, sein, enz.) horen bij de ...
A
der-Gruppe
B
ein-Gruppe

Slide 16 - Quizvraag

Morgen komme ich ohne ........ (mijn) Mutter nach Berlin.
A
DER-Gruppe
B
EIN-Gruppe

Slide 17 - Quizvraag

Welches Wort gehört nicht zu der Ein-Gruppe?
A
ein
B
kein
C
euer
D
manch

Slide 18 - Quizvraag

Welke woorden horen bij de:
ein- Gruppe
A
dein-
B
mein-
C
unser-
D
den

Slide 19 - Quizvraag

welke woorden horen bij de:
ein- Gruppe
A
euer-
B
dies-
C
Ihr-
D
ihr-

Slide 20 - Quizvraag

Stappenplan naamvallen
Stap 1: Wat is het geslacht? (der die das of meervoud)
Stap 2: Staat er een voorzetsel in de zin?
Ja   ->    Kies meteen de juiste groep en vorm.   
Nee     ->      Ga naar stap 3.  
Stap 3: ontleden en kies de juiste groep en vorm.

   

Slide 21 - Tekstslide

Kurz üben...

Slide 22 - Tekstslide

Waar staan de naamvallen ook alweer voor?
Waar staat de eerste naamval voor?
A
gezegde
B
onderwerp
C
lijdend voorwerp
D
persoonsvorm

Slide 23 - Quizvraag

Waar staan de naamvallen ook alweer voor?
Waar staat de vierde naamval voor?
A
gezegde
B
onderwerp
C
lijdend voorwerp
D
meewerkend voorwerp

Slide 24 - Quizvraag

Meine Mutter hat einen kleinen Bruder.
Welke naamvallen zitten in deze zin
timer
1:00
A
1e + 4e
B
4e
C
1e

Slide 25 - Quizvraag


Vul de juiste naamvallen in:
D... Junge sieht d... Hund
A
Der Junge, den Hund
B
Das Junge, der Hund
C
Der Junge, der Hund
D
Den Junge, den Hund

Slide 26 - Quizvraag

Vul de juiste naamvallen in:
D... Mann sieht d... Kind.
A
Die Mann, das Kind
B
Der Mann, die Kind
C
Der Mann, das Kind
D
Die Mann, den Kind

Slide 27 - Quizvraag

Vul de juiste naamvallen in:
D... Kinder sehen d... Frau
A
Die Kinder, das Frau
B
Die Kinder, die Frau
C
Das Kinder, der Frau
D
Das Kinder, die Frau

Slide 28 - Quizvraag

Vul de juiste naamvallen in:
D... Mann schenkt dem Kind ein... Kaugummi (o).
A
Die Mann, einen Kaugummi
B
Der Mann, einem Kaugummi
C
Der Mann, ein Kaugummi
D
Die Mann, eine Kaugummi

Slide 29 - Quizvraag

Vul de juiste naamvallen in:
Mein... Frau gibt unserem Kind ein... Buch.
A
Mein Frau, ein Buch
B
Meine Frau, ein Buch
C
Meine Frau, eines Buch
D
Meiner Frau, ein Buch

Slide 30 - Quizvraag

Dies... Männer kaufen ein.... Auto.
A
Diese - einer
B
Diesen - einen
C
Diese - ein
D
Diese - einem

Slide 31 - Quizvraag

Zelf aan de slag 
  1. Maak voor jezelf een overzicht van alle grammatica voor de eerstvolgende toets. Wat moet je allemaal weten en welke vragen heb je nog. (Deze werk je op papier uit en je upload een foto in de google classroom)
  2. Ga aan de slag met de woordjes via StudyGo. Doe in elk geval 2 woordenlijsten. 

Slide 32 - Tekstslide