werkwoorden

Fijn dat je er bent!
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Voortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Fijn dat je er bent!

Slide 1 - Tekstslide

Agenda
Mededelingen
Wat weet je nog of al?
Theorie / Instructie
Oefenen
Zelfstandig werken
Herhalen
Evalueren & Afsluiten

Wat gaan we doen?
  • Werkwoorden oefenen
  • Afsluiten

Slide 2 - Tekstslide

Doel van deze les
Je kan de werkwoorden gebruiken van deze les
Je kan woorden gebruiken van het thema "lichaam"


Slide 3 - Tekstslide

het lichaam

Slide 4 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord
Ik
                                    


                                                               zij           hij

Slide 5 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord
        Jullie / zij 
                                    


                                                                        wij

Slide 6 - Tekstslide

horen

Slide 7 - Tekstslide

Horen
Ik hoor
jij/zij/hij hoort
Wij/jullie horen

Slide 8 - Tekstslide

pakken

Slide 9 - Tekstslide

poetsen

Slide 10 - Tekstslide

Poetsen
Ik poets
jij/zij/hij poetst
wij/jullie poetsen

Slide 11 - Tekstslide

wijzen (naar)

Slide 12 - Tekstslide

leren

Slide 13 - Tekstslide

staan

Slide 14 - Tekstslide

Staan
Ik sta
jij/hij/zij staat
wij/jullie staan

Slide 15 - Tekstslide

zitten

Slide 16 - Tekstslide

kijken 

Slide 17 - Tekstslide

praten 

Slide 18 - Tekstslide

zijn

Slide 19 - Tekstslide

Zijn
ik ben
jij bent
hij/zij is
wij/jullie zijn

Slide 20 - Tekstslide

Zijn
ik ben
jij bent
hij/zij is
wij/jullie zijn

Slide 21 - Tekstslide

liggen

Slide 22 - Tekstslide

doen

Slide 23 - Tekstslide

doen
Ik doe
jij/hij/zij doet
wij/jullie doen

Slide 24 - Tekstslide

zeggen

Slide 25 - Tekstslide

komen

Slide 26 - Tekstslide

hebben

Slide 27 - Tekstslide

Enkelvoud                                   Meervoud 

ik                                                wij
jij                                            jullie
hij                                                zij
zij                                                       


Slide 28 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord
Mohamed zit op de stoel.
(Mohamed is een jongen, hij zit op de stoel)

Rose zit op de stoel.
(Rose is een meisje, zij zit op de stoel)

De leerlingen zitten op een stoel.
(De leerlingen = meer dan 1 - zij / jullie / wij zitten op de stoel)

Slide 29 - Tekstslide

Bezittelijk voornaamwoord
hij -zijn
(dit is zijn tas)
zij -haar
(dit is haar tas)
ik - mijn
(dit is mijn tas)
jij - jouw
(dit is jouw tas)

Slide 30 - Tekstslide

Wij wijzen _______ het raam.

A
naar
B
op
C
naast
D
in

Slide 31 - Quizvraag

Ik kijk _______ de tv.

A
in
B
naar
C
op
D
naast

Slide 32 - Quizvraag

Marie praat _______ haar vriendin.

A
onder
B
in
C
aan
D
met

Slide 33 - Quizvraag

De juf ________ tas.
A
mijn
B
zijn
C
haar

Slide 34 - Quizvraag

Fatima leest ________ boek.
A
met
B
zijn
C
haar

Slide 35 - Quizvraag

Ik loop naar ________ stoel.
A
mijn
B
zijn
C
haar

Slide 36 - Quizvraag

Zij praat met ________ vriendin.
A
mijn
B
zijn
C
haar

Slide 37 - Quizvraag

Hij staat naast ________ tafel.
A
mijn
B
zijn
C
haar

Slide 38 - Quizvraag

Lieke pakt ________ pen.
A
mijn
B
zijn
C
haar

Slide 39 - Quizvraag

Aan het werk
Groep 1
Pak je werkblad met werkwoorden en controleer.
Groep 2 (Sasha, Kiril, Bohdan, Angelina)


Groep 3 (Nikol en Phyo)

Slide 40 - Tekstslide

onregelmatige werkwoorden
Deze veranderen in de verleden tijd.

Slide 41 - Tekstslide

regelmatige werkwoorden?
werken          ik werk                ik werkte              ik heb gewerkt
koken             ik kook                 ik kookte              ik heb gekookt
leren               ik leer                  ik leerde               ik heb geleerd
pakken           ik pak                  ik pakte                 ik heb gepakt     

Slide 42 - Tekstslide

grammatica

Slide 43 - Tekstslide

Opdracht werkblad 
Klaar?   Pak je laptop

Slide 44 - Tekstslide

Doel van deze les
Je kan de werkwoorden gebruiken van deze les
Je kan woorden gebruiken van het thema "lichaam"

Slide 45 - Tekstslide

Slide 46 - Link