H4.2 Hoe ontstond de industrie?

H4 'Mens en machine'


cursus 4.2 'Hoe ontstond industrie?'


Tijdvak 8:

Tijd van burgers en stoommachines (1800-1900)

1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
Mens & MaatschappijMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

H4 'Mens en machine'


cursus 4.2 'Hoe ontstond industrie?'


Tijdvak 8:

Tijd van burgers en stoommachines (1800-1900)

Slide 1 - Tekstslide

Planning

  • Lesdoelen vorige les
  • Lesdoelen deze les
  • Instructie / zelfstandig werken
  • Aan de slag
  • Lesdoelen evalueren


Slide 2 - Tekstslide

Herhaling lesdoelen 4.1

Slide 3 - Tekstslide

1. Welke 3 beroepssectoren zijn er?
2. Noem bij elke sector 1 beroep

Slide 4 - Open vraag

Waarom werken mensen in arme landen veel in de landbouwsector?

Slide 5 - Open vraag

Wat betekent automatisering?
A
Dat alles vanzelf gaat.
B
Alle apparaten werken automatisch.
C
Als robots en machines het werk overnemen van mensen
D
Als machines en computers het werk overnemen van mensen

Slide 6 - Quizvraag

Lesdoelen 4.2
  • Je kunt het begrip huisnijverheid uitleggen. 

  • Je kunt het begrip industriële revolutie uitleggen.


  • Je kunt 3 gevolgen noemen waar de uitvindig van de stoommachine voor heeft gezorgd.

 

  • Je 3 oude energiebronnen noemen.

Slide 7 - Tekstslide

Voor de industiële revolutie
Huisnijverheid: het thuis maken van goederen door ambachtslieden en boeren.

Slide 8 - Tekstslide

Voor de industriële revolutie
Oude energiebronnen:
  1. spierkracht
  2. dierkracht
  3. waterkracht
  4. windkracht

Slide 9 - Tekstslide

nieuwe energiebronnen
De stoommachine:
apparaat dat aangedreven
wordt door hete damp van
kokend water.

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

Gevolgen uitvinding stoommachine:
  • bouw van fabrieken, machines zijn te groot geworden.
  • veel productie in korte tijd.
  • goedkoop produceren, lage lonen
  • huisnijverheid houdt op te bestaan; kunnen niet meer concurreren met de fabrieken.
  • vervoer ging sneller (stoomtrein, stoomboot)

Slide 12 - Tekstslide

Na de industriële revolutie
  • Machines doen het meeste werk i.p.v. mensen.
  • Mensen werken in fabrieken met machines.
  • Lage lonen, slechte arbeidsomstandigheden, kinderarbeid.

Slide 13 - Tekstslide

Aan de slag
Maken:
  • Cursus 4.2 blz. 14 t/m 19 alle opdrachten

Klaar:

  • Alle blauwe opdr.
  • Verdieping blz. 34, 35
  • Topografie blz. 36, 37

Slide 14 - Tekstslide

Evaluatie Lesdoelen 4.2
  • Je kunt het begrip huisnijverheid uitleggen.

  • Je kunt het begrip industriële revolutie uitleggen.

  • Je kunt 3 gevolgen noemen waar de uitvindig van de stoommachine voor heeft gezorgd.

  • Je 3 oude energiebronnen noemen.

Slide 15 - Tekstslide

Vandaag:
  • Herhalingsvragen
  • Uitleg 
  • Aan het werk 

Slide 16 - Tekstslide

Noem voorbeelden van oude energie.

Slide 17 - Open vraag

Juist of onjuist: Door de uitvinding van de stoommachine kon er veel meer geproduceerd worden
A
Juist
B
Onjuist

Slide 18 - Quizvraag

Wat zijn gevolgen van de industriële revolutie?
A
Veel productie in korte tijd
B
Kinderarbeid
C
Veel bouw van fabrieken
D
Lange werkdagen

Slide 19 - Quizvraag

Wat betekent automatisering?
A
Dat alles vanzelf gaat.
B
Alle apparaten werken automatisch.
C
Als robots en machines het werk overnemen van mensen
D
Als machines en computers het werk overnemen van mensen

Slide 20 - Quizvraag

Werkgevers en werknemers
Voorbeeld:

Je hebt een bouwbedrijf. Dit bouw bedrijf maakt huizen. Jij bent dan de werkgever. 

De bouwvakkers zijn dan de werknemers

Slide 21 - Tekstslide

Concurrentie

Slide 22 - Tekstslide

De huisnijverheid kon de snelheid van de industrie niet bijhouden. De concurrentie was té groot.
... de boeren kwamen zonder werk te zitten en gingen naar de stad, om daar in de fabrieken te werken.

Slide 23 - Tekstslide

Spoorwegen:
  • om grondstoffen bij fabriek te krijgen 
  • om eindproduct te vervoeren naar plaatsen waar product verkocht wordt (afzetmarkt)  

Slide 24 - Tekstslide


Wat is concurrentie?
A
Proberen een tegenstander uit te schakelen door de prijzen zo laag mogelijk te houden.
B
Proberen met zo hoge prijzen zoveel mogelijk klanten te krijgen.
C
Proberen met zo lage prijzen zoveel mogelijk producten te verkopen.
D
Strijd om zoveel mogelijk producten te verkopen en klanten te krijgen.

Slide 25 - Quizvraag

Wie is de werkgever?
A
B
C
D

Slide 26 - Quizvraag

Wie is de werknemer?
A
B
C
D

Slide 27 - Quizvraag

Aan de slag
Maken:
  • Cursus 4.2 blz. 14 t/m 19 alle opdrachten

Klaar:

  • Alle blauwe opdr.
  • Verdieping blz. 34, 35
  • Topografie blz. 36, 37

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Video

Blokuur
https://quiz.ntr.nl/quiz/show_question/quiz_id/335/question_id/3513

Slide 30 - Tekstslide