Soms bij het zien

Soms bij het zien, bij het zien van een rij
populieren bijvoorbeeld, soms kan het zijn
dat ik zie hoe de wereld, of bij het ruiken,
het ruiken van vers gemaaid gras kan het zijn:

Het was zomer, altijd weer zomer, de wereld
was groot en ik leefde, maar met het idee
dat de mens niet bestaat. Ik schreef lieve G,
maar ik stookte een vuur, met mijn brieven

een vuur. L G, hoe gaat het, hoe gaat het toch
met mij, van de aarde valt weinig te melden,
je rij populieren staat zachtjes te snikken,
maar dat gaat wel over, het gras ligt geduldig
te sterven, het ruikt zwaar naar het groene,
het groene bloed van het gras.
                                       
 Ik heb een vuur
gemaakt, je vindt as als je terugkomt, as.



1 / 9
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 9 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 17 min

Onderdelen in deze les

Soms bij het zien, bij het zien van een rij
populieren bijvoorbeeld, soms kan het zijn
dat ik zie hoe de wereld, of bij het ruiken,
het ruiken van vers gemaaid gras kan het zijn:

Het was zomer, altijd weer zomer, de wereld
was groot en ik leefde, maar met het idee
dat de mens niet bestaat. Ik schreef lieve G,
maar ik stookte een vuur, met mijn brieven

een vuur. L G, hoe gaat het, hoe gaat het toch
met mij, van de aarde valt weinig te melden,
je rij populieren staat zachtjes te snikken,
maar dat gaat wel over, het gras ligt geduldig
te sterven, het ruikt zwaar naar het groene,
het groene bloed van het gras.
                                       
 Ik heb een vuur
gemaakt, je vindt as als je terugkomt, as.



Slide 1 - Tekstslide

1. Beschrijf welke vormelijke kenmerken van het gedicht aan een sonnet doen denken.

Slide 2 - Woordweb

2. Vermeld nu nauwkeurig de redenen waarom dit gedicht geen zuiver sonnet is.

Slide 3 - Woordweb

3. Geef twee voorbeelden van alliteraties in het gedicht. 

Slide 4 - Tekstslide

3. Geef twee voorbeelden van alliteraties in het gedicht.

Slide 5 - Open vraag

4a. De overgang tussen de voorlaatste en de laatste regel bevat een heel duidelijke stijlfiguur. Welke?
A
elisie
B
enumeratie
C
personificatie
D
enjambement

Slide 6 - Quizvraag

Waarom denk je dat de dichter precies hier voor deze stijlfiguur gekozen?

Slide 7 - Open vraag

Wanneer menselijke eigenschappen toegekend worden aan abstracte begrippen, is er sprake van een bijzondere metafoor. Welke?

Slide 8 - Woordweb

Zijn er in dit gedicht zulke bijzondere metaforen aanwezig? Indien ja, geef een voorbeeld.

Slide 9 - Woordweb