E-learning week 1.2
Zouten, metalen, moleculaire stoffen en hun bindingen en reacties
E-learning week 1.2
Zouten, metalen, moleculaire stoffen en hun bindingen en reacties
Welkom bij deze E-learning
Deze les werk je zelfstandig aan het onderwerp zouten, metalen, moleculaire stoffen en hun bindingen en reacties.
Deze lessonup zal je stapsgewijs meenemen door de theorie aan de hand van theorie en opdrachten.
Houd je boek (Basischemie) bij de hand tijdens het maken van deze les (hoofdstuk 3 en 4).
Soms zie je dit:
Klik eens op het pictogram.
Alle slides hebben een kleur. Kies zelf de route die bij je past:
Veel succes en plezier!
Dit moet iedereen weten
Toepassen van theorie
Moeite met scheikunde?
Klik op de koptelefoon!
Aan het einde van deze les kun je:
de bouw van een atoom beschrijven;
uitleggen wat de verschillen zijn tussen een zout, metaal en moleculaire stof aan de hand van hun kenmerken;
uitleggen hoe de atoommassa van een atoom wordt bepaald;
formules van zouten maken, hierbij rekening houden met ladingen van ionen;
een oplosvergelijking van een zout maken;
een neerslagreactie opstellen;
in een structuurformule aangeven welk type binding/bindingen in een stof aanwezig is/zijn;
aangeven wat een stof polair/apolair maakt en hier voorbeelden van geven;
intermoluculaire krachten beschrijven en aangeven hoe krachtig een bepaalde interactie is.
Atoombouw
Bekijk ook eens deze video (als je geen SK hebt gehad in je vooropleiding)
Ieder atoom is opgebouwd uit een kern met daaromheen een elektronenwolk.
Isotopen
Het aantal neutronen kan variëren in atomen.
Isotopen zijn verschillende vormen van een atoom met een verschil in het aantal neutronen.
Je ziet hier de isotopen van het atoom waterstof. Het aantal protonen (P) is in alle drie de isotopen gelijk (1). Het aantal neutronen varieert.
Het bovenste nummer in de naamgeving is de totale massa van het atoom, het onderste getal geeft het aantal protonen (en dus het atoomnummer) aan.
Molecuulmassa
De massa van een molecuul noem je de molecuulmassa.
De eenheid van deze massa is de 'unit' (u).
De molecuulmassa van water (H2O) is bijvoorbeeld:
2*1,008 + 16,00= 18,016u
Molecuulmassa berekenen
De massa van een molecuul wordt berekend door de massa's van de aanwezige atomen bij elkaar op te tellen.
Atoommassa
Massa atoom= aantal protonen + aantal neutronen
In het periodiek systeem is de massa van een atoom het gewogen gemiddelde van de verschillende isotopen die voorkomen. Dit noem je de relatieve atoommassa.
Relatieve atoommassa
Atoomnummer
Molecuulmassa
De massa van een molecuul wordt berekend door de massa's van de aanwezige atomen bij elkaar op te tellen.
Tijd om te oefenen! Bereken van ieder molecuul de molecuulmasse met behulp van het periodiek systeem. Sleep de juiste molecuulmassa naar het molecuul.
C12H22O11
SO2
C6H12O6
CH3COOH
CaCO3
64,06u
342,3u
180,156u
60,052u
100,09u
MRI staat voor Magnetic Resonance Imaging. Deze techniek wordt in ziekenhuizen gebruikt. Soms gebruikt men voor het maken van een MRI-scan een contrastmiddel. Dit middel bevat gadodiamide. Dit is een verbinding van het element gadolinium (Gd). In die verbinding komen Gd3+ ionen voor. In de natuur komt de isotoop Gd-158 het meest voor. Hoeveel protonen, neutronen en elektronen bevat een Gd3+ ion met massagetal 158? Noteer je antwoord als: aantal protonen: … aantal neutronen: … aantal elektronen: …
Elektronenschillen
Bekijk deze video over elektronenschillen
Reacties van atomen
Atomen in dezelfde groep van het periodiek systeem hebben hetzelfde aantal elektronen in de buitenste schil.
Deze elektronen noem je valentie-elektronen.
Atomen uit dezelfde groep reageren daarom ongeveer op dezelfde manier met andere stoffen.
Atomen met 8 elektronen in de buitenste schil zijn stabiel en reageren niet met andere stoffen: edelgasconfiguratie.
Kijk op de volgende pagina voor meer info over het periodiek systeem
Het periodiek systeem
Elementen zijn gerangschikt op atoomnummer.
Elementen kunnen ingedeeld worden in groepen en periodes.
Periode
Groep
1 Geef de edelgasconfiguratie van het magnesiumatoom. (Bij een edelgasconfiguratie noteer je per schil het aantal aanwezige elektronen.) 2 Voorspel op basis van het antwoord op vraag 1 de lading van het magnesium-ion.
Elektronenconfiguratie van Mg
Magnesium heeft 12 elektronen, waarvan 2 in de buitenste schil.
Elektronenconfiguratie: 2, 8, 2
Om te voldoen aan de edelgasconfiguratie zal magnesium 2 elektronen afstaan (makkelijker dan 6 opnemen).
De lading van het magnesium ion zal dus 2+ zijn: Mg2+
Atomen streven altijd naar edelgasconfiguratie. Op welke 3 manieren kunnen atomen dit doen?
Octetregel
Atomen streven naar edelgasconfiguratie: 8 elektronen in de buitenste schil.
Dit gebeurt door:
- elektronen af te staan (vooral metalen)
- elektronen op te nemen (vooral niet-metalen)
- elektronen te delen (vooral niet-metalen)
Voorspel van de volgende elementen de lading van het ion. Noteer eerst de afkorting van het element, daarna de elektronenconfiguratie en daarna de lading: calcium, zwavel zink
Oude spaarlampen bevatten stoffen die worden aangeduid met de afkorting HALO. HALO geeft de gewenste kleur aan het licht. De kleur wordt onder andere bepaald door een klein percentage antimoonionen (Sb3+) in HALO. Het aantal elektronen in de Sb3+ is daarbij van belang. Wat is de totale hoeveelheid elektronen in Sb3+?
48
51
54
Goed bezig!
Je hebt het eerste deel van deze E-learning doorlopen.
Het volgende onderdeel zal over metalen, moleculaire stoffen en zouten gaan.
De volgende dia's geven een korte samenvatting van kenmerken van deze groepen.
Kijk ook vooral de samenvattende video!
Hierna zal iedere groep uitgebreider toegelicht worden.
Metalen
Glanzend uiterlijk.
Hoog smeltpunt m.u.v. kwik.
Voelen koud aan (goede warmtegeleiding).
Kunnen in vaste toestand elektrische stroom geleiden.
Zijn in gesmolten toestand goed mengbaar.
Vervormbaar door walsen en smeden.
Door metaalrooster metaalbinding: sterke binding.
Indeling: alkalimetalen aardalkalimetalen, overgangsmetalen, enz.
Overwegend vast of gasvormig
Gaan atoombindingen/covalente bindingen aan en
bevatten daardoor geen lading
Deze stoffen kunnen geen stroom geleiden.
Voorbeelden: C, Si, S, halogenen, edelgassen,
zuurstof, stikstof, waterstof
Bekijk de video in de link
Elektronegativiteit
Sommige soorten atomen trekken harder aan elektronen dan anderen. In een binding tussen 2 atomen zijn de elektronen dan niet netjes in het midden gedeeld, maar trekt het ene atoom iets harder aan het gedeelde elektronenpaar.
De mate waarin een atoom trekt aan een gedeeld elektronenpaar wordt elektronegativiteit genoemd (EN-waarde). Door het verschil te berekenen van de EN-waarde van 2 atomen die een binding aangaan, kun je iets zeggen over het type binding van deze atomen:
covalente binding: Verschil EN-waarde tussen 0 t/m 0,4
polair covalente binding: verschil EN-waarde vanaf 0,4 tot 1,7
ionbinding: Verschil in EN-waarde vanaf 1,7
Voorbeeld:
Water (H2O) heeft polair covalente bindingen, want...
En-waarde O= 3,5
EN-waarde H= 2,1
Verschil: 3,5-2,1= 1,4
Let op:
Bij het rekenen met de EN-waarden, kijk je alleen naar het verschil tussen de 2 atomen waartussen je soort binding wil bepalen.
In binas tabel 40a vind je een overzicht van eigenschappen van elementen. Hier kun je ook de elektronegativiteit (EN-waarde) vinden.
Bereken het verschil in EN-waarde. Welk type binding is aanwezig in een molecuul HCl?
polaire binding, verschil EN-waarde is 1,1
covalente binding, verschil EN-waarde is 1,1
covalente binding, verschil EN-waarde is 5,3
polaire binding, verschil EN-waarde is 5,3
Bereken het verschil in EN-waarde. Welk type binding is aanwezig in een molecuul koolstofdioxide?
ionbinding, verschil EN-waarde is 2,0
polaire binding, verschil in EN-waarde is 2,0
ionbinding, verschil EN-waarde is 1,0
polaire binding, verschil EN-waarde is 1,0
Dipolen
Bij een molecuul met een polaire binding is het gedeelde elektronenpaar niet helemaal eerlijk verdeeld. Er ontstaat een verschuiving van de lading in het molecuul. Hierdoor is een deel van het molecuul een beetje positief geladen (delta +), een ander deel een beetje negatief (delta -). Het molecuul heeft dus een plus- en minpool. Je noemt het molecuul dan een dipool of een polaire stof. Polaire stoffen lossen makkelijk op in andere polaire stoffen, maar niet in apolaire stoffen.
Niet alle moleculen met een polaire binding vormen een dipool. Bij koolstofdioxide liggen de atomen op 1 lijn, waardoor er geen plus- of minpool ontstaat. Deze stof is dus ook niet polair.
Moleculen met 'gewone' covalente bindingen hebben geen verschillen in ladingen in het molecuul. Hierdoor noem je ze apolair, bijvoorbeeld methaan.
Apolaire stoffen lossen makkelijk op in andere apolaire stoffen, maar niet in polaire stoffen. Daarom zal olijfolie niet in water oplossen, het blijft er op drijven.
Polaire stof
Apolaire stof
Zouten
Bestaan uit metaalatomen en niet-metaalatomen.
De metaalatomen leveren altijd de positieve ionen.
De niet-metaalatomen leveren altijd de negatieve ionen.
Ionen vormen een ionrooster door middel van een ionbinding. Deze binding is zeer sterk! Daardoor hebben zouten een zeer hoog smeltpunt.
Zouten geleiden stroom als elektronen vrij kunnen
bewegen in opgeloste en gesmolten toestand.
In een ionrooster is de totale positieve lading gelijk aan
totale negatieve lading.
Naamgeving van zouten
Zouten hebben een verhoudingsformule (omdat in een ionrooster niet duidelijk is welk positief ion bij welk negatief ion hoort). Door een verhoudingsformule te gebruiken, weet je hoe het ionrooster is opgebouwd.
In een verhoudingsformule noteer je altijd het positieve ion als eerste en daarna het negatieve ion.
Daarna kijk je in welke verhouding ionen voorkomen. Hierbij moet de lading van de positieve en negatieve ionen in de verhouding op 0 uitkomen.
Als laatste noteer je de getallen van de verhouding achter het ion, op de plek van de index.
Voorbeelden:
natriumbromide: NaBr
magnesiumsulfaat: Mg(SO4)
aluminiumsulfaat: Al2(SO4)3
Let op:
Wanneer in een zout een samengesteld ion voorkomt, zet je haakjes om het samengestelde ion.
In binas tabel 45a vind je een overzicht van de oplosbaarheid van zouten. Hier kun je ook de ladingen van ionen vinden.
Noteer de verhoudingsformule van de volgende zouten: 1 Kaliumfluoride 2 Zinknitraat 3 IJzer(III)sulfaat
Oplossingen van zouten
Het ionrooster wordt afgebroken in water.
Ionen worden omringd door watermoleculen (hydratatie).
Doordat ionen vrij kunnen bewegen in water, kunnen ze stroom geleiden.
Het oplossen van een zout noteer je in een oplosvergelijking.
Wanneer je 2 opgeloste zouten samenvoegt,
kan er een neerslag ontstaan: een neerslagreactie.
Dit kun je in een neerslagvergelijking noteren.
NaCl (s) Na+ (aq) + Cl- (aq)
Sleep de 'ionen' naar de vakjes van de ionen in de afbeelding die een neerslag vormen. Welke ionen doen niet mee? Sleep ook hier het tekstvakje naar de juiste ionen.
Positief ion
Negatief ion
Doet niet mee
Doet niet mee
Schrijf je antwoord op papier, maak er een foto van: Geef in de volgende situaties aan of er een neerslag ontstaat. Als er een neerslag ontstaat, noteer dan de neerslagreactie: 1 bekerglas calciumnitraat wordt bij bekerglas kaliumfluoride gegoten 2 bekerglas koperchloride wordt bij bekerglas natriumbromide gegoten
Metalen, zouten en moleculaire stoffen
Sleep de stoffen naar de juiste kolom
Cu(s)
Metaal
Moleculaire stof
Zout
FeO(s)
CO2 (g)
O2 (g)
ZnO (s)
PbCO3 (s)
KNO3 (s)
Ti (s)
C6H12O6 (s)
NH3 (g)
Type bindingen tussen atomen
Covalente binding
Polair covalente binding
Ionbinding
Sterk Zwak
Bindingen tussen atomen noem je:
intramoleculaire krachten. Ze zijn in te delen van zwak naar sterk, maar er is 1 uitzondering:
De metaalbinding past niet in dit rijtje, doordat een metaalrooster geen gedeelde elektronenparen heeft, maar wel positieve kernen, waar vrije elektronen om bewegen.
Type bindingen tussen moleculen
Vanderwaalskracht
Dipool-dipool interactie
Waterstofbrug
Dipool-ion interactie
Ion-ion
Sterk Zwak
Moleculen trekken elkaar aan. Hoe groter de aantrekkingskracht tussen moleculen, des te hoger het smelt- en kookpunt van de stof.
Hydrofoob, hydrofiel en amfipathisch
Hydrofiele stoffen lossen juist goed op in water. Het zijn polaire stoffen. Deze stoffen bevatten dus polair covalente bindingen. Meestal bevatten ze ook covalente bindingen, maar is het polaire deel sterk genoeg om de stof toch helemaal hydrofiel te maken. Soms kunnen deze stoffen ook waterstofbruggen vormen in water.
Hydrofobe stoffen lossen niet goed op in water. Ze zijn daarom apolair. Het zijn dus stoffen met voornamelijk covalente bindingen in het molecuul.
Amfipathische stoffen zijn stoffen die een hydrofoob én een hydrofiel gedeelte hebben. Hierdoor vertonen ze eigenschappen van allebei. Voorbeelden van deze stoffen zijn vetzuren, de fosfolipiden in het celmembraan en zepen.
Klik om te vergroten
Welke kenmerken passen bij een hydrofobe stof? Er zijn meerdere goede antwoorden.
Lossen slecht op in water
Dit zijn apolaire stoffen
Lossen goed op on water
Dit zijn dipolen
Wat heb je deze les geleerd? Formuleer in 3 of 4 zinnen wat voor jou de belangrijkste opbrengst van de les is.
Volgende les (week 1.2)
Volgende les zie ik je weer op de HAN.
Er is tijdens deze bijeenkomst uitgebreid ruimte om vragen te stellen en om te oefenen met opdrachten over
hoofdstuk 1 t/m 4.
Let op: Dit zal geen theorieles zijn!
Goed gewerkt!
Je bent aan het einde van deze E-learning gekomen.
We willen graag van je weten hoe je deze les hebt ervaren.
Wil je de volgende 2 vragen nog invullen?
Klik!
Geef een top voor deze les. Wat moet er de volgende keer zeker in blijven?
Geef een tip voor deze les. Wat zou er een volgende keer anders moeten?