Les 2 (5 september 2026, VO1) Persoonsvorm, Zinsdelen.

Les 2 Wat doen we vandaag? 

1. Inloggen Lessonup. 
2. Hoe ging het huiswerk (eerste deel van leesautobiografie)? 
3. Waarom Nederlands leren. 
4. Nuttige grammaticaregels lagere school.
5. Introduceren grammatica par. 1 (zinsdelen, persoonsvorm) 
6. Afsluiting & Huiswerk
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsSecondary EducationAge 12

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Les 2 Wat doen we vandaag? 

1. Inloggen Lessonup. 
2. Hoe ging het huiswerk (eerste deel van leesautobiografie)? 
3. Waarom Nederlands leren. 
4. Nuttige grammaticaregels lagere school.
5. Introduceren grammatica par. 1 (zinsdelen, persoonsvorm) 
6. Afsluiting & Huiswerk

Slide 1 - Tekstslide

Hoe ging het met huiswerk maken?
😒🙁😐🙂😃

Slide 2 - Poll

Hoe lang duurde het huiswerk maken ongeveer?
minder dan 1.5 uur
meer dan 1.5 uur

Slide 3 - Poll

Slide 4 - Link

Vocabulaire

Slide 5 - Tekstslide

Vocabulaire
bikkelen
sowieso
enerzijds / anderzijds
Italië
chagrijnig

Ps. Een trema gebruik je als er meerdere klinkers naast elkaar staan die samen één klank kunnen zijn, terwijl ze juist niet bedoeld zijn als één klank.






Slide 6 - Tekstslide

Vocabulaire
bikkelen          1. met bikkels spelen 2. zich in een wedstrijd keihard inzetten; hard en                                meedogenloos spelen
sowieso           1.  toch al, in elk geval: ik moest daar sowieso al zijn
enerzijds / anderzijds        aan de ene kant: enerzijds heb je gelijk, anderzijds heb ik wel                                         een paar bedenkingen
Italië
chagrijnig        1. slechtgehumeurd, mopperig, ontevreden







Slide 7 - Tekstslide

nuttige grammaticaregels lagere school?

Kijk in het spellingmaatje! 

Slide 8 - Tekstslide

Cursus 5 Grammatica §1 persoonsvorm en zinsdelen  

Slide 9 - Tekstslide

De persoonsvorm (pv)

  • In elke zin staan werkwoorden. 

  • Een van die werkwoorden is de persoonsvorm.

  • De pv geeft het getal/aantal aan en de tijd.



Slide 10 - Tekstslide


Sam heeft met dierenposters haar kamer versierd. 
Sam en Tim hadden met dierenposters hun kamer versierd. 


"heeft" geeft enkelvoud aan en tegenwoordige tijd. 
"hadden" geeft meervoud aan en verleden tijd.

Slide 11 - Tekstslide

Pv?: Vanwege het slechte weer moesten we de jaarlijkse buurtbarbecue afgelasten.
A
het slechte weer
B
moesten
C
we
D
afgelasten

Slide 12 - Quizvraag

Pv?: Na het zwemmen van vijftig baantjes klom Vayèn uit het water.
A
Na het zwemmen
B
vijftig baantjes
C
klom
D
Vayèn

Slide 13 - Quizvraag

Extra: Samengestelde werkwoorden als pv
Samengestelde werkwoorden
Samengestelde werkwoorden zijn in hun geheel de persoonsvorm, ook als ze gescheiden in de zin staan:

Boris leidde Ernst de hele tijd af. (Het hele ww is "afleiden", de pv "leidde af")
Hoe laat kom je thuis? (Het hele werkwoord is thuiskomen)

Slide 14 - Tekstslide

Extra: Pv's in samengestelde zinnen. 
Samengestelde zinnen:
Samengestelde zinnen zijn samengesteld uit meer dan één zin en hebben meer dan één persoonsvorm. 

"De kat ligt op mat    en    het zonnetje schijnt
"ik ga naar huis     want     ik  ben moe"

Slide 15 - Tekstslide

Extra: Niet alle zinnen hebben een Pv. 

1a.  Het was een gure donkere dag. 
1b.     Heel guur... 

2a  Zijn jullie er klaar voor?
2b.     Hartstikke goed! 

1b en 2b hebben geen PV. 

Slide 16 - Tekstslide

Zinsdelen
Zinnen zijn opgedeeld uit woorden. Sommige woorden horen bij elkaar omdat ze in de zin een bepaalde functie uitoefenen. Bijv.: De kat zit op de mat.   

Een zinsdeel kan een woord, maar ook een groepje woorden zijn. 

Grofweg: Ieder 'stukje' van de zin dat je voor de PV kunt plaatsen is een apart zinsdeel.

Slide 17 - Tekstslide

Zinsdelen
Een overtreding moet je niet verwarren met een misdrijf. 

Wat is de pv? 

Slide 18 - Tekstslide

Zinsdelen
Een overtreding moet je niet verwarren met een misdrijf. 

De pv is 'moet'. 
Een overtreding moet je niet verwarren met een misdrijf. 
Je moet een overtreding niet verwarren met een misdrijf.
Niet moet je een overtreding verwarren met een misdrijf. 
Verwarren moet je een misdrijf niet met een overtreding. 
Met een misdrijf moet je een overtreding niet verwarren. 

Slide 19 - Tekstslide

Verdeel de deze zin in zinsdelen. Hoeveel zinsdelen heeft deze zin? - De fiets van mijn broer stond in de schuur van mijn ouders.
A
2
B
4
C
3
D
5

Slide 20 - Quizvraag

Verdeel de zin in zinsdelen, gebruik / :
Een overtreding moet je niet verwarren met een misdrijf.

Slide 21 - Open vraag

Lesafsluiting
- wat is jullie e-mail adres? 

-jullie huiswerk staat (helemaal of deels) klaar in de online leeromgeving op zaterdag. Check ook altijd je e-mail, want er kan ook altijd een opdracht zijn die niet in de online leeromgeving staat. 

Slide 22 - Tekstslide

Huiswerk VO1
Huiswerk deze week: 
▪Maak je leesautobiografie af en lever deze uiterlijk vrijdag in (per e-mail).  Heb je het al af? Voeg dan een lijst toe van alle Nederlandse boeken die je je kunt herinneren te hebben gelezen
  
Cursus 5 Grammatica   
▪ §1 Persoonsvorm en zinsdelen: theorie blz 204 - maak opdr 4 en 5   

Tot volgende week (online)!   

Slide 23 - Tekstslide