Interbellum

Het Interbellum (1919-1939)

Hitler aan de macht 3.3
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 3,4

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Het Interbellum (1919-1939)

Hitler aan de macht 3.3

Slide 1 - Tekstslide

Planning, Les 1.
  • Lesdoelen
  • Start
  • Uitleg
  • Zelfstandig werken
  • Slot

Slide 2 - Tekstslide

Lesdoelen

Hoe veranderde de Duitse samenleving nadat Adolf Hitler aan de macht kwam?
  1. Je kunt de belangrijkste ontwikkelingen in nazi-Duitsland, als voorbeeld van een extreemrechtse totalitaire staat, herkennen en beschrijven.
  2. Je kent de 5 kenmerken van het nationaalsocialisme in Duitsland.
  3. Je kunt overeenkomsten en verschillen met het fascisme in Italië herkennen en beschrijven.
  4.  Je kent verschillende nazi-organisaties en kunt deze allemaal omschrijven en herkennen.




Slide 3 - Tekstslide

Start
We maken eerst een aantal vragen of de de lesstof tot nu toe... 
dus paragraaf 3.1 & 3.2
Kun je de vragen niet beantwoorden? Maak dan de verdiepingsopgave tijdens het zelfstandig werken.
Makkelijk? Maak dan de havo opdracht!

Slide 4 - Tekstslide

Hoe wordt Duitsland genoemd tussen 1918 en 1933?
timer
0:20

Slide 5 - Open vraag

Wie is deze man?
timer
0:15
A
Tsaar Nicolaas II
B
Lenin
C
Stalin
D
Wilhelm II

Slide 6 - Quizvraag

Wie heeft de macht in Rusland in 1919?
timer
1:00
A
Tsaar Nicolaas
B
Lenin
C
Stalin
D
Wilhelm II

Slide 7 - Quizvraag

Hoe heet het plan in 1924 om Duitsland economisch te helpen?
timer
0:20

Slide 8 - Open vraag

Voor hoeveel jaar werd de economie gemiddeld gepland in de SU?
timer
0:15

Slide 9 - Open vraag

Wat is een van de oorzaken van de Beurskrach?
timer
0:15
A
Duitsland heeft te grote schulden
B
Amerikanen lenen te veel
C
Amerikanen verkopen massaal hun aandelen
D
Amerikanen kochten massaal aandelen

Slide 10 - Quizvraag

Hoe heet de fascistische leider van Italië?
timer
0:15

Slide 11 - Open vraag

Wat is een showproces?
timer
0:15
A
Schijnproces om democratisch te lijken
B
Een feestelijke processie
C
Iets dat alleen onder Stalin gebeurde
D
Een proces op televisie

Slide 12 - Quizvraag

Welk begrip past er bij de afbeelding?
timer
0:20
A
Collectivisatie
B
Strafkamp
C
Eigendom
D
Planeconomie

Slide 13 - Quizvraag

Welke hoort niet bij Mussolini?
timer
0:15
A
Geweld is goed
B
Democratie is slecht
C
Joden zijn slecht
D
Nationalisme is belangrijk

Slide 14 - Quizvraag

De sterke leider waar ze naar zochten...
Door de crisis raakten steeds meer mensen geïnteresseerd in de ideeën van Hitler, het nationaalsocialisme.
  1. Democratie is verkeerd, want een parlement kan de problemen niet oplossen. Duitsland moet een sterke leider krijgen aan wie iedereen gehoorzaamt.
  2. Geweld gebruiken is een goede manier om je doelen te bereiken.
  3. Duitsland is een geweldig land en het Duitse volk is een geweldig volk.
  4. Duitsland moet weer een sterk leger krijgen.
  5. Antisemitisme.

Slide 15 - Tekstslide

Antisemitisme
Een belangrijk onderdeel van het nationaalsocialisme was de haat tegen joden: antisemitisme. Joden waren volgens de nationaal socialisten minderwaardig en gevaarlijk. Het antisemitisme was onderdeel van de rassenleer van de nazi’s, de aanhangers van Hitler.
  • Er waren Übermenschen (ariërs). Dit waren mensen uit Noord- en West-Europa, die afstamden van de Germanen.
  • Oost-Europeanen en Russen, niet-arisch, waren Untermenschen.

Slide 16 - Tekstslide

Hitler als führer
In 1933 wint Hitler veel stemmen (niet genoeg), maar mag toch Rijkskanselier worden. Hij weet de juiste mensen tegen elkaar weg te spelen en krijgt uiteindelijk alle macht.
Al snel wordt alles wat anti-nazi is verboden: censuur.


Slide 17 - Tekstslide

Hitler als Führer.
Gelijkschakeling: iedereen in Duitsland moest hetzelfde gaan denken. Hiervoor oa scouting waar alle jeugd lid van moest zijn: Hitlerjugend (jongens) & Bund Deutscher Mädel (BDM, meisjes).
Dit is onderdeel van indoctrinatie: alles herhalen tot je het gelooft.

Slide 18 - Tekstslide

NAZI- organisaties
  • SA: Sturmabteilung knokploeg van Hitler. Herkenbaar aan de bruine uniformen. Hitler vond de SA te machtig worden en liet de leiders vermoorden. Daarna nam het aantal leden van de SA snel af.
  • SS: Schutzstaffel begonnen als lijfwacht voor Hitler, later de elite van het Duitse leger. Herkenbaar aan de zwarte uniformen.
  • Gestapo: geheime politie van de nazi’s.
  • Hitlerjugend: jeugdorganisatie van de nazi’s voor jongens.
  • Bund Deutscher Mädel: jeugdorganisatie van de nazi’s voor meisjes.
  • NSDAP: De Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij. De Partij waarmee Hitler tot en met 1945 aan de macht was.

Slide 19 - Tekstslide

Aan de slag!

  • Wat: Ga aan de slag de opdrachten op blz. 84-86. t/m opdracht 13
  • Tijd: Tot het einde van de les
  • Hoe: Alleen (met een oortje muziek) of samen zachtjes overleggen
  • Hulp: Je buurman/buurvrouw of vinger opsteken.
  • Resultaat: Je hebt de opdrachten af.
  • Klaar: 
  • Was de Quiz lastig? Maak opdracht 14
  • Was de Quiz niet lastig? Maak opdracht 15


















Slide 20 - Tekstslide

Het Interbellum (1919-1939)

Hitler aan de macht 3.3

Slide 21 - Tekstslide

Planning, Les 2
  • Lesdoelen
  • Start
  • Uitleg
  • Zelfstandig werken
  • Slot

Slide 22 - Tekstslide

Lesdoelen
Hoe veranderde de Duitse samenleving nadat Adolf Hitler aan de macht kwam?
  1.   Je weet de begrippen heim ins Reich en lebensraum en Anschluss in de goede context te plaatsen en deze te verklaren.
  2. Je weet wat de (Neurenberger) rassenwetten waren en wat er voor Joodse mensen veranderde.
  3.  Je weet wat er wordt bedoeld met appeasement-politiek en hoe dit tot uiting kwam rond de Tweede Wereldoorlog.

Slide 23 - Tekstslide

Start
We maken eerst een aantal vragen over paragraaf 3.3 en de informatie tot nu toe.

Kun je de vragen niet beantwoorden? Maak dan de verdiepingsopgave tijdens het zelfstandig werken.

Slide 24 - Tekstslide

Hitler wint de verkiezingen van 1933 en is daarom Rijkskanselier geworden
A
waar
B
niet waar

Slide 25 - Quizvraag

Hitler vond dat de Untermenschen meer rechten moesten hebben
A
waar
B
niet waar

Slide 26 - Quizvraag

Welk onderdeel van het nazisme is niet per definitie ook fascistisch?
A
Geweld is goed
B
Er is één sterke leider
C
Jodenhaat
D
Democratie is onzin

Slide 27 - Quizvraag

Geef een ander woord voor Jodenhaat

Slide 28 - Open vraag

Hoe heet de scoutinggroep waar jongens verplicht lid van moesten zijn?

Slide 29 - Open vraag

Terreur
Al snel na de machtsovername door Hitler in 1933 werden de eerste tegenstanders van de nazi’s opgepakt en opgesloten in concentratiekampen.

In 1935 kwamen er wetten die het leven van de joden steeds moeilijker maakten. De zogenaamde Neurenberger rassenwetten. Nu mochten zij veel niet meer.

Slide 30 - Tekstslide

Terreur
Drie jaar later, in 1938, werden in de nacht van 9 op 10 november in heel Duitsland en ook in Oostenrijk joden aangevallen. Tijdens deze Kristallnacht werden woningen, winkels en synagogen van joden geplunderd en soms afgebrand. 

Slide 31 - Tekstslide

Appeasement
De nazi’s wilden dat alle Duitsers in één rijk zouden wonen: Heim ins Reich. Voor al die Duitsers moest Lebensraum komen, bijvoorbeeld in Oost-Europa. 
In 1936 namen de Duitsers Oostenrijk in tijdens de Anschluss.

Slide 32 - Tekstslide

Appeasement
Frankrijk en Engeland schrokken, maar wilden geen nieuwe oorlog. Ze voerden een politiek van appeasement.
Tijdens de Conferentie van München (1938) mocht Hitler in ruil voor vrede zijn grote leger en Oostenrijk houden. Ook kreeg hij een stuk van Tsjecho-Slowakije

Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Video

Aan de slag!

  • Wat: Ga aan de slag de opdrachten op blz. 84-86. t/m opdracht 13
  • Tijd: Tot het einde van de les
  • Hoe: Alleen of samen zachtjes overleggen
  • Hulp: Je buurman/buurvrouw of vinger opsteken.
  • Resultaat: Je hebt de opdrachten af.
  • Klaar:
Was de Quiz lastig? Maak opdracht 14
Was de Quiz niet lastig? Maak opdracht 15
https://schooltv.nl/link/adolf-hitler/#q=Hitler 

















Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Link