wk 15 2021 2022

LES 1
timer
10:00
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quiz en tekstslides.

Onderdelen in deze les

LES 1
timer
10:00

Slide 1 - Tekstslide

Lezen
  • Je leert wat de hoofdgedachte is en hoe je deze kunt vinden in een tekst. 
  • Je weet wat signaalwoorden zijn en weet welke vraag je moet stellen om te vertellen waar dit woord naar verwijst. 

Slide 2 - Tekstslide

Hoofdgedachte
De hoofdgedachte vat de tekst in 1 zin samen. 
Let op de volgende 2 zaken:

  1. Vaak staat de hoofdgedachte letterlijk in de tekst: in de inleiding of in het slot. 
  2. Het onderwerp van de tekst komt altijd terug in de hoofdgedachte. 

Slide 3 - Tekstslide

Opdracht maken
1P + 1N: blz. 195 opdracht 44

1Q: blz. 207 opdracht 5

We kijken de opdracht klassikaal na.

Slide 4 - Tekstslide

Verwijswoorden
Wat zijn de verwijswoorden in de bovenstaande tekst? 
Waar verwijzen deze woorden naar? 

Slide 5 - Tekstslide

Opdracht maken
1P + 1N: blz. 197 opdracht 45 (De tekst staat op blz. 193). 

1Q: blz. 208 opdracht 6 

We kijken ook deze opdracht klassikaal na. 

Slide 6 - Tekstslide

grammatica
  • Deze les ga je in groepjes oefenen met alle onderdelen van de grammatica tot nu toe
  • Je krijgt je formatieve toets terug (die ik met enkele leerlingen uitgebreid ga bespreken). 

Slide 7 - Tekstslide

Groepjes 1N

Slide 8 - Tekstslide

Groepjes 1P

Slide 9 - Tekstslide

Groepjes 1Q

Slide 10 - Tekstslide

Opdracht blauwe groep
Jullie pakken de envelop met het woordsoortenspel. Speel het spel met 3 tot 4 mensen. 

Lees goed de handleiding goed door.

Ieder groepslid heeft een andere kleur markeerstift nodig. 

Slide 11 - Tekstslide

Materiaalchef
De materiaalchef komt voor ieder groepslid de toets halen + de gemaakte toets. 

Slide 12 - Tekstslide

Zinsdelen herhalen
  1. wwg: alle werkwoorden in de zin (dus ook de pv)
  2. ond: wie of wat + wwg
  3. lv: wat of wie + alles wat je hebt gevonden 


Slide 13 - Tekstslide

Woordsoorten herhalen
  1. lw: de / het / een
  2. znw: alle namen + woorden waar
    een lidwoord voor kan
  3. vz: ......de kast        ......het feest
  4. bnw: zegt iets over een znw
  5. ww: je kunt dit doen (hij/zij voor zetten)


Slide 14 - Tekstslide

LES 2
timer
10:00

Slide 15 - Tekstslide

Lezen
  • Je weet wat feiten en meningen zijn. 
  • We herhalen de leerstof tot nu toe. 

Slide 16 - Tekstslide

Feiten en meningen
Een feit is waar en controleerbaar. Bijvoorbeeld: Het regent vandaag.

Een mening is wat iemand ergens van  vindt.  Bijvoorbeeld: Ik vind dit een erg leuk boek.  
Let op: het feit dat iemand dit vindt, is controleerbaar. Wat diegene echter vindt, is een mening. 

Slide 17 - Tekstslide

Pak je leesboek
Zoek een zin met een feit en een zin met een mening.  Schrijf deze 2 zinnen in je schrift.
Lees daarna door tot de timer is afgelopen. 
timer
5:00

Slide 18 - Tekstslide

Opdracht in duo's
Zoek een willekeurige tekst van enkele alinea's.
Onderstreep 2 verwijswoorden  en schrijf in de tekst waar ze naar verwijzen. 
Noteer het onderwerp in maximaal 4 tot 5 woorden op de tekst. 
Noteer de hoofdgedachte op de tekst. 
Bepaal wat voor een tekstsoort dit is en schrijft het op de tekst. 
Namen erop en inleveren bij je docent. 

Slide 19 - Tekstslide

grammatica
  • Je leert het zelfstandig werkwoord en hulpwerkwoord. 

Slide 20 - Tekstslide


Kijk goed naar de naam. Wat zal een zelfstandig werkwoord zijn?

Slide 21 - Woordweb

zelfstandig ww (zww)
Een zelfstandig werkwoord is een werkwoord dat alleen in de zin kan staan. 
Voorbeeld:

Ik geef haar een boek cadeau.
Ik heb mijn agenda in mijn tas. 

Slide 22 - Tekstslide

Een zww is makkelijk te vinden als er maar 1 ww in de zin staat. Wat doe je als er meerdere ww's in de zin staan?

stap 1: Staat er een voltooid deelwoord in de zin? Ja? Dan is dit je zww. Nee? Ga dan door naar stap 2
stap 2: Het laatste ww in je zin is je zww.

Alle werkwoorden die je overhoudt zijn hulpwerkwoorden. 

Slide 23 - Tekstslide

Even oefenen

Ik heb een onvoldoende voor die toets gekregen. 
Hij kan beter presteren tijdens die wedstrijd. 
Bauke is gisteravond te laat gaan slapen. 
Was jij vanavond af?

Slide 24 - Tekstslide

Opdrachten maken
1N + 1P: blz. 232 opdracht 14

1Q: blz. 240 opdracht 9. 

Slide 25 - Tekstslide