CG A1 - semana 2 - clase 3 - 27.02.26

¡Bienvenidos a todos!
Semana 3 - clase 1 
 el 27 de febrero de 2026
1 / 49
volgende
Slide 1: Tekstslide
spaansHBOStudiejaar 1

In deze les zitten 49 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 4 videos.

time-iconLesduur is: 180 min

Onderdelen in deze les

¡Bienvenidos a todos!
Semana 3 - clase 1 
 el 27 de febrero de 2026

Slide 1 - Tekstslide

1. No me quejo
2. Viviendo la vida
3. Mejor que nunca
4. Todo bien
5. Aquí en la lucha
6. Viviendo la vida loca

Slide 2 - Tekstslide

Los deberes, ¿qué tal?
Unidad 3: eerste deel
WB t/m 8, R&S (bezittelijk vnw)
¿Hay preguntas?
EXTRA
Practicar extra:
- los posesivos
- los números hasta 100

Slide 3 - Tekstslide

un repaso

1.  Los posesivos: BZVNW
2. Los números: getallen 
3. Los verbos regulares: Reg. WW


Slide 4 - Tekstslide

WB p. 28 (unidad 2)

nr. 27a:  eerst lezen over
la rrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrr



Ik kan al...                    laat maar eens zien dan ;-)
opdracht 27b wb p. 28

Slide 5 - Tekstslide

mi
1
vuestras
2
nuestra
3
sus
4
su
5
sus
6
vuestros
7

Slide 6 - Tekstslide

noventa y dos
cuarenta y cinco
quince
sesenta y ocho
treinta y tres
veintiuno
cincuenta y cinco
setenta y seis
ochenta y nueve
once

Slide 7 - Sleepvraag

Más números
Profedeele
https://www.profedeele.es/actividad/numeros-espanol-todos/

Slide 8 - Tekstslide

Verbos -AR-ER -IR
Regelmatige werkwoorden eindigend op -AR , -IR , -ER
Weet je de regel nog?

Slide 9 - Tekstslide

TB nr. 12 p.24 en 25 
los verbos regulares   

Slide 10 - Tekstslide

timer
4:00

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Link

Slide 14 - Link

los adjetivos - het bijvoeglijk nw
Somos diferentes: los hermanos de Isabel

Opdr. 10a TB p. 33
We lezen de tekst - onderstreep de persoonseigenschappen.
Welk werkwoord wordt hier veel gebruikt i.c.m. het bijvoeglijk naamwoorden? 



 

Ser = zijn (eigenschappen)

Slide 15 - Tekstslide

los adjetivos - het bijvoeglijk nw
Bijvoeglijke naamwoorden zijn om iemand te beschrijven en 
richten zich in getal en geslacht naar het zelfstandig naamwoord waar ze bij horen. 


Slide 16 - Tekstslide

Bijvoeglijk naamwoord: verschillende vormen
Opdr. 10b TB p. 33: Vul in

un hombre atractivo
un hombre interesante
un hombre original
una mujer atractiva
una mujer interesante
una mujer original

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Video

Wat weet je nu over Isabel? Maak een volledige zin.
Gebruik TB opdr. 1 p. 29 + tekst opdr. 10 p. 33.

Slide 19 - Open vraag

Wat weet je nu over Laura? Maak een volledige zin.
Gebruik TB opdr. 1 p. 29 + tekst opdr. 10 p. 33.

Slide 20 - Open vraag

Wat weet je nu over Marcelo?
Maak een volledige zin.
Gebruik TB opdr. 1 p. 29 + tekst opdr. 10 p. 33.

Slide 21 - Open vraag

Bijvoeglijke naamwoorden
om te beschrijven 
joven
mayor
alto/-a
bajito/-a
moreno/-a
rubio/-a
delgado/-a
gordito/-a
guapo/-a
feo/-a
abierto/-a
tímido/-a
simpático/-a
antipático/-a
optimista
pesimista

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Link

verbo estar - burgelijke staat
estoy
estás
está
estamos
estáis
están
casado/-a
divorciado/-a

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

  • Mijn moeder heet Carmen.  

  • Ze woont in Sevilla. 

  • Maar komt uit Granada. 

  • Ze is receptioniste in een hotel. 

  • Ze heeft donker haar en heeft blauwe ogen. 

  • Ze is heel aardig en heel sportief. 
  • Mi madre se llama Carmen. 
  • Vive en Sevilla. 
  • Pero es de Granada. 
  • Es recepcionista en un hotel. 
  • Es morena y tiene los ojos azules. 
  • Es muy simpática y también muy deportista. 
✍️  Schrijf nu soortgelijk verhaaltje over een familielid naar keuze. 

Slide 27 - Tekstslide

Opdr. 11a TB p.33   ¿Cómo son?
Beschrijf je familielid op je meegebrachte foto.
                           Vertel eerst algemene informatie:      
                           Mi madre ...  / Mi hermano....
                           se llama / vive / es de / hace  /  es ........


                           Omschrijf daarna je familielid met zoveel mogelijk                               bijvoeglijk naamwoorden.


 

timer
10:00
1
2

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Trabajar en el WB
WB p. 31 
Hacer ejercicio 9 + 10 + 18


timer
11:00

Slide 30 - Tekstslide

Opdr. 12 TB p.34  ¿Él o ella?

1
2
3
4
5
6
Javier
Penélope
Los dos
Javier: 1,5,6
Penélope: 2,3
Los dos: 4
WB: Andere oefeningen van beschrijvingen : 8,9,10,11,18

Slide 31 - Tekstslide

¿Cuándo es tu cumpleaños?
In het Spaans noteer je een datum als volgt:
 

Voorbeelden:
* ¿Cuándo es tu cumpleaños?  (Wanneer is jouw verjaardag)
- Mi cumpleaños es el 17 de septiembre
(in Spanje zeggen ze: de 17e van september)

* ¿Qué fecha es hoy? (Welke datum is het vandaag?)
-  Hoy es el 27 de febrero de 2026

enero
febrero
marzo
abril
mayo
junio
julio
agosto
septiembre
octubre
noviembre
diciembre
el dag + de maand + de jaar 

Slide 32 - Tekstslide

¿CUÁNDO ES TU/SU CUMPLEAÑOS?
Bij een datum wordt het bepaald lidwoord gebruikt:
1 april: El uno de abril ( in Spanje )
             El primero de abril (in Latinoamérica)
WB:  Oef. 14 
iemand bijna jarig?

Slide 33 - Tekstslide

¿Cuándo es tu cumpleaños?
Es el... (maak de zin compleet en schrijf het getal uit) vb: Es el catorce de enero

Slide 34 - Open vraag

Me gusta el cine
nr. 14 TB p. 34:     Me gusta, no me gusta

Vul de tabel aan: "iets leuk vinden of niet" 
(No) Me gust.........  el cine 
                                  ver la tele 

(No) Me gust......... los actores españoles                                            las  películas de terror
me gusta 
me gustan

Slide 35 - Tekstslide


het werkwoord 'gustar' (I)
Zie ook TB p.38 en p.125 - voor extra uitleg

Het werkwoord gustar (bevallen, leuk/lekker vinden, graag doen) wordt meestal in de 3e persoon vervoegd: gusta (ev) / gustan (mv)
Let op! 
Het onderwerp van de zin is niet degene die iets leuk vindt of aan wie iets bevalt. Het onderwerp is hetgeen dat (aan) deze persoon bevalt. Om aan te geven wie iets leuk/lekker vinden, moet je dan nog toevoegen: me (ik vind.. leuk), te (jij vindt.. leuk), le (hij/zij/u..)





Slide 36 - Tekstslide


het werkwoord 'gustar' (II)
Gusta wordt gebruikt vóór een zelfstandig naamwoord in het enkelvoud (me gusta el cine) of  vóór een infinitief  (me gusta ver películas por internet).   

Gustan wordt gebruikt vóór een zelfstandig naamwoord (znw) in het meervoud (me gustan las películas románticas). 

Na 'me gusta/gustan' met een znw volgt altijd het lidwoord: el, la, los, las  -> me gusta la música (ik houd van muziek)

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Tekstslide

Nr. 15a TB, p.35 ¿Te gusta?
Houd jij  van...?
- ¿Te gusta el café/ el vino/ viajar...?
- ¿ Te gustan las fiestas?
      
  • Sí.
  • Sí, mucho.
  • Bastante.
  • No.
  • No mucho.
  • No, nada (No, no me gusta nada)
Houdt hij/zij/u van..?

-¿Le gusta el café/ el vino/ viajar..?
- ¿ Le gustan las fiestas?

Maar wie is "le"? 
Benadrukken wie iets leuk/lekker vindt:
A mí me gusta la paella.
A Jorge le gustan las tapas.
A María le gusta el café.
      

Slide 39 - Tekstslide

Nr. 12 WB, p.32
timer
3:00

Slide 40 - Tekstslide

Nr. 12 WB, p.32
1. El cine
2. Los actores españoles
3. La ópera
4. Viajar en avión
5. Las personas arrogantes

Slide 41 - Tekstslide

Slide 42 - Video

trabajo en parejas
- WB p. 32-33: opdr. 13
- TB p. 35: opdr. 15
15a = invullen
15b = oefenen spreekvaardigheid

Klaar en tijd over? Vul samen Reglas & Sistemas in (p.38 WB) en werk aan andere opdrachten uit het WB van unidad 3

Slide 43 - Tekstslide

extra voca

Slide 44 - Tekstslide

Slide 45 - Link

Panamericana 

Slide 46 - Tekstslide

Slide 47 - Video

Slide 48 - Video

los deberes 
  • Maak alle oefeningen in je werkboek af van unidad 3
  • invullen reglas & sistemas
    WB blz. 37/38
  • maken test WB blz. 39
  • Dinsdag 3 maart: 
    Tussentijdse Toets 
    Unidad 1 + 2

Slide 49 - Tekstslide