Engels vooraf thema 8 - H1 woorden

 Thema 8 - Geld
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsPraktijkonderwijsLeerjaar 4

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

 Thema 8 - Geld

Slide 1 - Tekstslide

Les 1 - belangrijke woorden
Doel van de les:

Ik kan minimaal  5 nieuwe woorden in het Engels benoemen of ze gebruiken in een zin.

Ik kan woorden plaatsen  in de juiste context of bij een afbeelding.

Ik kan een Engels zin aanvullen met een nieuw geleerd woord.  






Slide 2 - Tekstslide

What is the last thing you bougth with your money?

Slide 3 - Woordweb

Woordblok - geld
borrow
on me
restaurant
euros
hours
every
week
tips
in cash
wait a minute
minus
makes
means
buy
lottery tickets
forget it
purse
coins
supermarket
cashpoint
per hour
many
cheap
expensive
free

Slide 4 - Tekstslide

Welk woord past het best bij de afbeelding?
A
coins
B
euro's
C
purse
D
in cash

Slide 5 - Quizvraag

Welk woord past het beste bij de afbeelding?
A
cheap
B
expensive
C
free
D
buy

Slide 6 - Quizvraag

Uitlegblok - om geld vragen

Listen. Can I borrow money from you.
I am sorry, I don't have money on me. 
But I work in a restaurant. 
I get 33 euros and 36 cents for 12 hours of work every week. And tips.
My boss is going to pay me tomorrow, in cash. Then I can give you money.
Thank you very much. I need 30 euros.

30 euros? Wait a minute.
33 euros and 36 cents minus 30 makes 3,36. That means only 3 euros and 36 cents for me this week. 
Why do you need money?

I want to buy two lottery tickets.

Forget it man.
You don't get my money for that.
Bye bye. 

Slide 7 - Tekstslide

For what will Johnny borrow money?

Slide 8 - Open vraag

Uitlegblok - zo koop je iets in het Engels.

Can I help you?

Yes, please.
How much is this sweater?

This one is 50 euros.

I think that is very expensive.

What do you think of this one?
It is 15 euros.

I like it and it is cheap.
I wil take it.
Here you are.

Thank you.


You are welcome.

Slide 9 - Tekstslide

Wat wordt er gekocht in de winkel?
A
trousers
B
blouse
C
shoes
D
sweater

Slide 10 - Quizvraag

How much is the sweater?
A
15 euros
B
50 euros

Slide 11 - Quizvraag

Woordblok - wat kost het eigenlijk?
Did you pay?
receipt
I don't think so
chewing gum
toothpaste
bananas
cents
packet
nuts
bag
oranges
shop
our
meal
I think so
large
small
that is
poor
rich
wish
could
enough

Slide 12 - Tekstslide

Welke zin past het best bij de afbeelding?
A
This boy is very poor
B
This is a rich boy
C
This boy has enough money

Slide 13 - Quizvraag

Welke zin past het best bij de afbeelding?
A
I wish I could pay for this meal.
B
Did I pay? No, I don't think so.
C
Here is the receipt.

Slide 14 - Quizvraag

Woordblok - meer woorden over geld
paper money
get cash money
debit card
cashpoint
sell
sale of sales
spend
save
a lot of money
little money
too little
too much
enough
cheap
pocket money
change
earn
get

Slide 15 - Tekstslide

Zet de zin in de goede volgorde:
money - me - on - I - have - no

Slide 16 - Open vraag

Zet de zin in de goede volgorde:
use - I - cannot - cashpoint - my - creditcard - at - this

Slide 17 - Open vraag

Klassikaal -> luisteroefeningen


opdracht 6 - blz. 269
opdracht 14 - blz. 275

Slide 18 - Tekstslide

Aan de slag! 

Start op bladzijde 266.
Maak opdracht 1 tot en met 20.

De luisteroefeningen maken we samen.


Slide 19 - Tekstslide

Doel behaald?
Doel van de les:
Ik kan minimaal 5 nieuwe woorden in het Engels benoemen of ze gebruiken in een zin.

Ik kan klokkijken in het Engels en kan daar de juiste begrippen bij gebruiken.


Slide 20 - Tekstslide