wk 19 les 1 vwo 2 appr 3+herh. p.c.

programme vwo 2
Les portables dans l'hôtel
unité 7: la santé
résous l'anagramme
instruction persoonlijke vnw.
au travail
conversation

1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

programme vwo 2
Les portables dans l'hôtel
unité 7: la santé
résous l'anagramme
instruction persoonlijke vnw.
au travail
conversation

Slide 1 - Tekstslide

anagramme
reterla
remuf
metenélag
télasan
alegrog

Slide 2 - Tekstslide

solution
reterla - la terre
remuf - fumer
metenélag - également
télasan - la santé
alegrog - la gorge

Slide 3 - Tekstslide

het persoonlijk voornaamwoord

Slide 4 - Tekstslide

het persoonlijk voornaamwoord
Je le déteste (ce ministre)
Je lui dis (à ce ministre)
Je la trouve bien (cette mesure)

Slide 5 - Tekstslide

het persoonlijk voornaamwoord,
le, la, l', lui

le, la, l': vervangt een lijdend voorwerp.
lui: vervangt alleen personen als meewerkend voorwerp.

Slide 6 - Tekstslide

  • meewerkend voorwerp herken je aan het voorzetse
  • Deze werkwoorden hebben allemaal een voorzetsel in het Frans en hebben dus altijd een meewerkend voorwerp erbij!


téléphoner à (opbellen)
écrire à (schrijven (aan))
dire à (zeggen tegen)
envoyer à (sturen naar)

Slide 7 - Tekstslide

Elle va donner le cadeau à Claire? Oui, elle va ____________ donner le cadeau.


A
le
B
la
C
l'
D
lui

Slide 8 - Quizvraag

Vous avez fait le voyage à pied? Non, nous ____________ avons fait à vélo.
A
le
B
la
C
l'
D
lui

Slide 9 - Quizvraag

zij is gegaan = ?

Slide 10 - Open vraag

hij heeft gezongen = ?

Slide 11 - Open vraag

Ik ben geweest

Slide 12 - Open vraag

au travail/les devoirs
  • faire exercices 7 t/m 11
  • réviser appr 1+2,3 + p.c.
  • Van de p.c. leer je de regelmatige ww -er met de hww être/avoir.
  • + de p.c. van être/avoir/faire/aller (j'ai été, j'ai eu, j'ai fait, je suis allé(e))

attention! lundi prochain: SO apprendre 1 t/m 5 + p.c.

Slide 13 - Tekstslide

conversation
devinez:
Je le prends pour aller à l'école.
Il l'utilise pour faire les devoirs.

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide