Zelftoets Thema 1 – Beestige start

Wat is het werkwoord in deze zin?

De hond blaft naar de postbode.

A

hond

B

postbode

C

blaft

D

naar

1 / 15
volgende
Slide 1: Quizvraag
newEditorNederlandsBuitengewoon secundair onderwijsB-stroomType 3Opleidingsvorm 4Leerjaar 1

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 50 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Wat is het werkwoord in deze zin?

De hond blaft naar de postbode.

A

hond

B

postbode

C

blaft

D

naar

Wat is het werkwoord in deze zin?

De kinderen spelen in de tuin.

A

in

B

spelen

C

kinderen

D

tuin

Wat is de infinitief van loopt?

A

lopen

B

lopend

C

loop

D

loopte

Wat is de infinitief van drinkt?

A

drink

B

drinkenst

C

drinken

D

drank

Welke taaltruc helpt om de infinitief te vinden?

A

ik zal ...

B

ik doe ...

C

ik ben ...

D

ik heb ...

Wat kun je vóór het lezen bekijken?

A

titel, tussentitels en afbeeldingen

B

de laatste zin

C

alle woorden

D

de auteur

Wat betekent lay-out?

A

hoe een tekst eruitziet

B

de inhoud van de tekst

C

de betekenis

D

de schrijfstijl

Wat is de juiste volgorde van een tekst?

A

slot – inleiding – midden

B

midden – slot – inleiding

C

inleiding – slot – midden

D

inleiding – midden – slot

Noor trekt haar jas dicht en rilt.

Hoe weet je dat Noor het koud heeft?

A

Ze doet niets

B

Ze lacht

C

Ze zegt het letterlijk

D

Je leidt het af uit aanwijzingen

Hoe laat vertrekt de bus?

bus vertrekt om kwart over acht.

A

8.30 uur

B

8.00 uur

C

7.45 uur

D

8.15 uur

Welke spelling is correct?

A

aandachttig

B

aandagtig

C

aandachtieg

D

aandachtig

Welke spelling is correct?

A

rustich

B

rustieg

C

rusttig

D

rustig

Wat betekent fragment?

A

een hele tekst

B

een titel

C

een samenvatting

D

een deel of stukje

Welk woord betekent iets vinden of te weten komen?

A

verliezen

B

ontdekken

C

vergeten

D

achterhalen

Wat doe je als je twee dieren bekijkt?

A

lezen

B

teksten

C

vergelijken

D

schilderen