Einde schooljaar quiz E&H 2025-2026

1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomiePraktijkonderwijsLeerjaar 1

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Weet jij alles nog over geld, het warenhuis, de supermarkt, het magazijn en de kantinekeuken?

Slide 2 - Tekstslide

Hoe noem je geld dat je op een bankrekening hebt staan?
A
Wisselgeld
B
Spaargeld
C
Speel geld
D
Zwart geld

Slide 3 - Quizvraag

Waar voor gebruik je een pinpas?
A
Om geld op te nemen of te betalen
B
Om te bellen
C
Om te sparen
D
Om een rekening te schrijven

Slide 4 - Quizvraag

Wat betekent 'Achteraf betalen'?
A
Eerst betalen, dan kopen
B
Je krijgt je geld terug
C
Eerst kopen, dan betalen
D
Geld lenen aan iemand

Slide 5 - Quizvraag

Waarom is sparen handig?
A
Dan raak je je geld sneller kwijt
B
Dan heb je geld voor later of onverwachte uitgaven
C
Omdat iedereen het doet
D
Omdat je dan nooit meer hoeft te werken

Slide 6 - Quizvraag

Je wilt een nieuwe telefoon kopen, wat is het handigst?
A
Al je geld dat je hebt uitgeven
B
Sparen tot je genoeg geld hebt
C
Geld lenen

Slide 7 - Quizvraag

Wat zou jij kopen als je €500 cadeau zou krijgen?

Slide 8 - Woordweb

Wat betekent de afkorting FIFO
A
First In, First Out
B
Fast In, Fast Out
C
Food Is Fresh Often
D
First In, First Only

Slide 9 - Quizvraag

Waarom zet je producten met de kortste houdbaarheidsdatum vooraan?
A
Omdat ze het mooist zijn
B
Omdat klanten die eerst moeten kopen
C
Omdat ze het duurst zijn
D
Omdat ze zwaarder zijn

Slide 10 - Quizvraag

Op welke afdeling vind je meestal de melk en yoghurt?
A
De diepvries
B
De drogisterij
C
De koeling
D
De broodafdeling

Slide 11 - Quizvraag

Wat zou jij doen als je een pot saus laat vallen?

Slide 12 - Open vraag

Wat doe je als een klant iets vraagt dat je niet weet?
A
Een collega om hulp vragen
B
Weglopen
C
Niets zeggen
D
Zeggen dat het er niet is

Slide 13 - Quizvraag

Wat is een warenhuis
A
Een winkel met maar één product
B
Een winkel met verschillende afdelingen
C
Een fabriek
D
Een magazijn

Slide 14 - Quizvraag

Noem een winkel dat ook wel een warenhuis wordt genoemd.

Slide 15 - Woordweb

Welke afdeling vind je vaak in een warenhuis?
A
Elektronica
B
Kleding
C
Huishoudelijke artikelen
D
Alle genoemde

Slide 16 - Quizvraag

Welke afdeling van een warenhuis zou jij het liefst willen werken? Waarom?

Slide 17 - Woordweb

Waarom is klantvriendelijkheid belangrijk?
A
Omdat klanten anders niets kopen
B
Omdat het moet van de politie
C
Omdat je dan eerder naar huis mag
D
Omdat klanten dan sneller terug komen

Slide 18 - Quizvraag

Waarvoor gebruik jij een pallet?
A
Om op te zitten
B
Om goederen mee te vervoeren
C
Om een vuurtje mee te stoken
D
Om te schrijven

Slide 19 - Quizvraag

Wat betekent voorraad?
A
Producten die verkocht zijn
B
Klanten in de winkel
C
Producten die nog aanwezig zijn
D
Geld in de kassa

Slide 20 - Quizvraag

Waarom is orde in het magazijn belangrijk?
A
Omdat het er mooier uit ziet
B
Voor de gezelligheid
C
Omdat je anders valt
D
Zo kan je spullen sneller vinden en je kan veilig werken

Slide 21 - Quizvraag

Wat moet je doen als je een kapotte doos ziet?
A
Melden aan je leidinggevende of collega
B
Negeren
C
Verstoppen
D
Mee naar huis nemen, het kan toch niet worden verkocht

Slide 22 - Quizvraag

Waarom zou je zwaar tillen op de juiste manier moeten doen?

Slide 23 - Woordweb

Wat is order picken?

Slide 24 - Open vraag

Waarom was je je handen voor je eten gaat maken?
A
Omdat je handen koud zijn
B
Voor een frisse geur
C
Om bacteriën te verwijderen
D
Omdat het leuk is

Slide 25 - Quizvraag

Waarom moet je een snijplank goed schoonmaken?
A
Tegen kruisbesmetting
B
Omdat de baas dat wil
C
Voor de foto

Slide 26 - Quizvraag

Wat is een belangrijke taak als je werkt in een kantine?
A
Klanten helpen
B
Producten aanvullen
C
Opruimen en schoonmaken
D
Alle genoemde

Slide 27 - Quizvraag

Wat vind jij het belangrijkste in een keuken: hygiëne, samenwerken of snelheid? Leg uit waarom.

Slide 28 - Woordweb

Welke collega zou jij zijn?
A
De planner: ''Alles staat al klaar"
B
De sfeermaker: ''Ik zorg voor gezelligheid''
C
De hulpverlener: ''Ik help iedereen"
D
De aanpakker: ''Ik ben gewoon aan het werk''

Slide 29 - Quizvraag

Als jij je eigen winkel zou beginnen, wat zou je dan verkopen?

Slide 30 - Woordweb