Spelling 4.8

Spelling 4.8
Lesdoelen: toepassen werkwoordspelling (ook Engels)
(stoffelijk) bijvoeglijk naamwoord
bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord.

1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

Spelling 4.8
Lesdoelen: toepassen werkwoordspelling (ook Engels)
(stoffelijk) bijvoeglijk naamwoord
bijvoeglijk gebruikt voltooid deelwoord.

Slide 1 - Tekstslide

Wat is hier fout geschreven?
Ik biedt me aan om te gaan.

Slide 2 - Open vraag

Wat is hier fout?
De politie waarschuwen voor vals geld.

Slide 3 - Open vraag

Wat is fout geschreven?
We hebben vaak gebarbequed.

Slide 4 - Open vraag

Wat is fout geschreven?
Zij heeft de rekening betaalt.

Slide 5 - Open vraag

Zelf maken
Maak nu zelfst. opdracht 2 in je BOEK.
let op tt, vt en vd.
Je krijgt hiervoor 5 minuten

timer
5:00

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

Wat is het voltooid deelwoord van gamen?
A
gegamed
B
gegamet
C
gegeemt
D
gegamedt

Slide 8 - Quizvraag

Wat is de hij-vorm tt van skaten?
A
hij skated
B
hij skate
C
hij skeat
D
hij skatet

Slide 9 - Quizvraag

Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
1) zegt iets over het zelfstandig naamwoord
2) geeft aan van welke stof het zelfstandig naamwoord is gemaakt
Bijvoorbeeld: de betonnen muur
de ijzeren muur
de zilveren ring
De plastic tas
het nylon shirt
Je ziet: wanneer je een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord schrijft, eindigt dit niet op een 'e'

Slide 10 - Tekstslide

Het BN gebruikt als VD
Deze vorm van het BN schrijf je zo kort mogelijk, dus nooit dd en tt of dt 
Bijvoorbeeld:
Het huiswerk is gemaakt. Het gemaakte huiswerk.
Het hout is verbrand. Het verbrande hout.
Het nieuws werd verwacht. Het verwachte nieuws.

Slide 11 - Tekstslide

Schrijf zoveel mogelijk stoffelijk bijvoeglijke naamwoorden op.

Slide 12 - Woordweb

Zelfstandig maken:
Maak nu opdracht:
4-5-6-7
Leerlingen voor verlengde instructie komen achteraan in de klas bij de hoge tafels staan voor meer uitleg
Klaar? 
test jezelf 4.8 spelling

Slide 13 - Tekstslide

Even evalueren
Heb je het begrepen?

Slide 14 - Tekstslide

Wat is een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord?
A
Een bijvoeglijk naamwoord dat een grootte aangeeft.
B
Een bijvoeglijk naamwoord dat een vorm aanduidt.
C
Een bijvoeglijk naamwoord dat een stof aanduidt.
D
Een bijvoeglijk naamwoord dat een kleur beschrijft.

Slide 15 - Quizvraag

Welk van de volgende woorden is een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord?
A
Zacht
B
Houten
C
Groot
D
Mooi

Slide 16 - Quizvraag

In welke zin is de juiste vorm van skaten gebruikt
A
Hij skate naar school.
B
Hij skatete naar school.
C
Hij skatet naar school.

Slide 17 - Quizvraag

In welke zin is de juiste vorm van updaten gebruikt
A
Gisteren heb ik het werkstuk geüpdatet.
B
Gisteren heb ik het werkstuk geüpdate.
C
Gisteren heb ik het werkstuk geüpdatete.

Slide 18 - Quizvraag