In deze les zitten 128 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 17 videos.
Onderdelen in deze les
Periode 2
Geld verdienen
Slide 1 - Tekstslide
2.2 Hoe kom je aan geld?
Slide 2 - Tekstslide
Slide 3 - Tekstslide
Slide 4 - Video
Welkom lieve mensen van B2B
leg je spullen klaar op tafel om de les te beginnen
- iPad
- Ga naar lessonup
- Ga in de les
- Stil tijdens uitleg ;)
Slide 5 - Tekstslide
Hoe kom je aan geld?
Slide 6 - Tekstslide
Inkomstenbronnen
PRIMAIRE INKOMENS
Arbeid loon of salaris als je werkt in loondienst
winst als je werkt als ondernemer
Bezit rente, pacht of huur
Slide 7 - Tekstslide
Inkomstenbronnen
SECUNDAIRE INKOMENS
Overdrachtsinkomen zonder tegenprestatie
bv. zakgeld of toeslagen
Inkomen in natura niet in geld maar in producten
bv. auto, telefoon, laptop van de zaak
Slide 8 - Tekstslide
loon is een voorbeeld van...
A
overdrachtsinkomen
B
inkomen uit bezit
C
inkomen in natura
D
inkomen uit arbeid
Slide 9 - Quizvraag
Huur is een voorbeeld van ....
A
Inkomen uit arbeid
B
Inkomen uit bezit
C
Overdrachtsinkomen
Slide 10 - Quizvraag
Bij welke inkomensvorm is er geen sprake van een tegenprestatie?
A
inkomen uit bezit
B
inkomen uit arbeid
C
inkomen uit zorg
D
overdrachtsinkomen
Slide 11 - Quizvraag
Als je rente ontvangt op je spaarrekening dan is dit:
A
Inkomen in natura
B
Overdrachtsinkomen
C
Inkomen uit bezit
D
Inkomen uit arbeid
Slide 12 - Quizvraag
Kinderbijslag is primair inkomen.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 13 - Quizvraag
Pepijn heeft recht op huurtoeslag. Hij krijgt ........
A
inkomen uit arbeid
B
een overdrachtsinkomen
C
inkomen uit bezit
Slide 14 - Quizvraag
Dennis heeft geld op de bank staan. Hij krijgt ieder jaar rente. Hij krijgt ........
A
inkomen uit arbeid
B
een overdrachtsinkomen
C
inkomen uit bezit
Slide 15 - Quizvraag
Sam heeft deze maand € 4.000 winst gemaakt met haar eigen bedrijf. Zij krijgt ........
A
inkomen uit arbeid
B
een overdrachtsinkomen
C
inkomen uit bezit
Slide 16 - Quizvraag
Wat is een uitkering?
A
inkomen dat je van de overheid krijgt
B
inkomen dat je van de bank krijgt
C
inkomen dat je van je ouders krijgt
D
een ander woord voor salaris
Slide 17 - Quizvraag
Welk inkomen wordt beschouwd als een overdrachtsinkomen?
A
Rente, dividend, huuropbrengst, pacht
B
Zakgeld
Slide 18 - Quizvraag
Wat zijn toeslagen eigenlijk?
Slide 19 - Tekstslide
Slide 20 - Video
Waarom inkomensverschillen?
Slide 21 - Tekstslide
Inkomensverschillen
de hoogte van je opleiding
je ervaring met het werk
de mate van verantwoordelijkheid
je leeftijd
de zwaarte van het werk
Slide 22 - Tekstslide
Slide 23 - Tekstslide
Wat heb je geleerd?
Slide 24 - Tekstslide
Combineer de soorten inkomens met het voorbeeld
Uitkering
Winst
Loon
Ontvang je als je werkt voor een baas
Inkomen uit een eigen bedrijf
Inkomen als je werkloos bent
Slide 25 - Sleepvraag
Welk type inkomen wordt ontvangen in ruil voor arbeid?
A
Loon of salaris
B
Uitkering
C
Winst
D
Toeslag
Slide 26 - Quizvraag
Waarom verdient een Hartchirurg meer dan een Universiteit docent?
A
Geschoold
B
Verantwoordelijkheid
C
Leeftijd
D
Geslacht
Slide 27 - Quizvraag
Aan de slag
Maken van 2.2B en 2.2C
Klaar? > Rekenvaardigheden maken!
Slide 28 - Tekstslide
Welkom lieve mensen van B2B
leg je spullen klaar op tafel om de les te beginnen
- iPad
- Ga naar lessonup
- Ga in de les
- Stil tijdens uitleg ;)
Slide 29 - Tekstslide
Huiswerk bespreken
Slide 30 - Tekstslide
Huiswerk bespreken
Slide 31 - Tekstslide
Kinderbijslag is primair inkomen.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 32 - Quizvraag
Loon is inkomen uit bezit.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 33 - Quizvraag
Een auto van de zaak is een voorbeeld van secundair inkomen.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 34 - Quizvraag
Pepijn heeft recht op huurtoeslag. Hij krijgt ........
A
inkomen uit arbeid
B
een overdrachtsinkomen
C
inkomen uit bezit
Slide 35 - Quizvraag
Dennis heeft geld op de bank staan. Hij krijgt ieder jaar rente. Hij krijgt ........
A
inkomen uit arbeid
B
een overdrachtsinkomen
C
inkomen uit bezit
Slide 36 - Quizvraag
Sam heeft deze maand € 4.000 winst gemaakt met haar eigen bedrijf. Zij krijgt ........
A
inkomen uit arbeid
B
een overdrachtsinkomen
C
inkomen uit bezit
Slide 37 - Quizvraag
Een auto van de zaak is een voorbeeld van inkomen in natura.
A
Juist
B
Onjuist
Slide 38 - Quizvraag
2.3 De producent
Slide 39 - Tekstslide
Slide 40 - Woordweb
"AlbertHeijn is opzoek naar 10 nieuwe vakkenvullers." Om welke kant van de 'Arbeidsmarkt' gaat het hier?
Welkom! Ga je in LessonUp en maak gelijk de start vraag!
A
Vraag
B
Aanbod
C
Zowel Vraag als Aanbod
D
Dit heeft niks met vraag en aanbod te maken.
Slide 41 - Quizvraag
Een ondernemende indiaan start een kano-bedrijf. Hij produceert en verkoopt authentieke houten kano's. Je krijgt 2 minuten de tijd om 5 dingen te noteren die hij nodig heeft (dat mag een product zijn, maar dat hoeft niet).
Slide 42 - Open vraag
Slide 43 - Tekstslide
Productiefactoren
Kapitaal
Arbeid
Natuur
Ondernemerschap
Kapitaal:
alle kapitaalgoederen waarin je geld investeert en die je langere tijd bij de productie gebruikt, zoals machines, gebouwen en voertuigen.
Arbeid:
de lichamelijke en geestelijke inspanningen die de mensen bij de productie leveren
Natuur:
Alles wat de natuur levert. Bijvoorbeeld de grond zelf, grondstoffen, aardolie en aardgas
Ondernemerschap:
de activiteiten van de ondernemer, die het productieproces organiseert en leidt.
Slide 44 - Tekstslide
We gaan nu een filmpje kijken.
Na het filmpje krijg je de volgende vraag:
Welke beloning hoort bij welke productiefactor?
Slide 45 - Tekstslide
Slide 46 - Video
Welke beloning hoort bij welke productiefactor?
Slide 47 - Open vraag
Vergoeding voor de productiefactoren
Kapitaal
Arbeid
Natuur
Ondernemerschap
huur, rente
loon
pacht
winst
Slide 48 - Tekstslide
de bedrijfskolom
Slide 49 - Tekstslide
Slide 50 - Video
Wat heb je geleerd?
Slide 51 - Tekstslide
Welke beloning hoort bij welke productiefactor?
Sleep de beloningen naar de juiste plek.
ondernemersschap
natuur
arbeid
kapitaal
salaris
rente
pacht
huur
winst
Slide 52 - Sleepvraag
Welke productiefactor? 120 stoelen en 25 tafels
A
Kapitaal
B
Arbeid
C
Natuur
D
Ondernemerschap
Slide 53 - Quizvraag
Welke productiefactor? Besluiten om een 2e restaurant te openen
A
Kapitaal
B
Arbeid
C
Natuur
D
Ondernemerschap
Slide 54 - Quizvraag
Welke productiefactor? 25 mensen in de bediening
A
Kapitaal
B
Arbeid
C
Natuur
D
Ondernemerschap
Slide 55 - Quizvraag
Productiefactoren en de beloning
Om te produceren heb je productiefactoren nodig.
Iedere productiefactor heeft zijn eigen beloning.
Combineer de productiefactoren met de beloningen.
Arbeid
Kapitaal
Natuur
Ondernemerschap
Loon
Huur
Pacht
Winst
Rente
Slide 56 - Sleepvraag
In een bedrijfskolom loopt de ....... van boven naar beneden
A
goederenstroom
B
geldstroom
Slide 57 - Quizvraag
Reclame maken
Slide 58 - Tekstslide
Wat is geen productiefactor
A
Kapitaal
B
Ondernemerschap
C
Mentaal
D
Arbeid
Slide 59 - Quizvraag
Wat is de bedrijfskolom?
A
Een soort organisatiestructuur van een onderneming.
B
Alle bedrijven die meewerken aan een product.
C
Een kolom in een kantoorgebouw.
D
Een grafische weergave van bedrijfsprocessen.
Slide 60 - Quizvraag
In een bedrijfskolom loopt de ....... van boven naar beneden
A
goederenstroom
B
geldstroom
Slide 61 - Quizvraag
Stelling: De consument behoort tot de bedrijfskolom
A
Juist
B
Onjuist
Slide 62 - Quizvraag
Wordt jij wel is beïnvloed door reclame?
A
Ja
B
Nee
Slide 63 - Quizvraag
Slide 64 - Video
Video kijken
Slide 65 - Tekstslide
Verschillende soorten reclame:
ideële reclame
commerciële reclame
merkreclame
informatieve reclame
sluikreclame
Slide 66 - Tekstslide
Ideële reclame
Heeft als doel de mentaliteit en het gedrag van mensen te veranderen. Ideële reclame gaat vaak over maatschappelijke problemen.
Slide 67 - Tekstslide
Commerciële reclame
Bedoeld om te verleiden tot een aankoop.
Dit kan zijn: - een informatieve reclame (info over het product); - een merkreclame (vergroten naamsbekendheid).
Slide 68 - Tekstslide
merkreclame
Slide 69 - Tekstslide
informatieve reclame
Slide 70 - Tekstslide
Wat is het doel van reclame
A
Grappige filmpjes maken
B
Influencers geld betalen
C
Zorgen dat de consument wat koopt
D
Informeren
Slide 71 - Quizvraag
Wat voor reclame is dit?
A
Commerciële reclame
B
ideële reclame
C
Informatieve reclame
D
Dit is geen reclame
Slide 72 - Quizvraag
We gaan reclames kijken.
Jij beantwoord de vraag: Wie is de doelgroep?
Slide 73 - Tekstslide
0
Slide 74 - Video
Bekijk de reclame. Voor wie is de reclame gericht?
A
Kinderen tussen 3- 8 jaar
B
Kinderen tussen 10-15 jaar
C
Ouders van kinderen tussen 3-8 jaar
D
Ouders van kinderen tussen 10 -15 jaar
Slide 75 - Quizvraag
0
Slide 76 - Video
Bekijk de reclame. Voor wie is de reclame gericht?
A
Kinderen 10-15 jaar
B
Jongeren tussen 18-30 jaar
C
Vrouwen tussen 30-50 jaar
D
Mannen tussen 50 -60 jaar
Slide 77 - Quizvraag
0
Slide 78 - Video
Voor wie is de reclame gemaakt?
A
Jongeren tussen 12-16 jaar
B
Jongeren tussen 16 - 24 jaar
C
Mensen tussen 25-35 jaar
D
Ouderen
Slide 79 - Quizvraag
Wat is reclame?
A
Reclame is het promoten van bedrijven.
B
Reclame is het publiceren van informatie.
C
Reclame is het vragen van aandacht voor een product of boodschap.
D
Reclame is het verkopen van producten.
Slide 80 - Quizvraag
Bekende reclame slogans
Lego - met Lego kun je alles maken
Kruidvat - Steeds verrassend, altijd voordelig
Hema - Echt Hema
Mediamarkt - ik ben toch niet gek?
Ikea - elke dag anders
Jumbo - hallo Jumbo
Hornbach - er is altijd iets te doen
Red Bull geeft je vleugels
Ben - ik ben Ben
Bounty - een stukje paradijs op aarde
McDonalds - I'm loving it
OPDRACHT
met z'n 2-en
Welke 3 slogans vind je goed en waarom?
timer
7:00
Slide 81 - Tekstslide
Slide 82 - Video
Aan de slag met learnbeat - 2.4 verder maken (klaar? > 2.5)
Slide 83 - Tekstslide
Hoe maak je winst?
Slide 84 - Tekstslide
Slide 85 - Video
Opdracht.
Een kledingzaak verkoopt 230 T-shirts voor € 25 per stuk.
De inkoopkosten per T-shirt zijn € 9.
De winkel betaalt € 400 aan huur en € 280 aan salarissen
Bereken - de omzet
- de brutowinst
- de nettowinst
Slide 86 - Tekstslide
Opdracht.
Een kledingzaak verkoopt 230 T-shirts voor € 25 per stuk.
De inkoopkosten per T-shirt zijn € 9.
De winkel betaalt € 400 aan huur en € 280 aan salarissen