P2 - Geld verdienen - Totaal

Periode 2
Geld verdienen
1 / 154
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2

In deze les zitten 154 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 17 videos.

Onderdelen in deze les

Periode 2
Geld verdienen

Slide 1 - Tekstslide

2.2 Hoe kom je aan geld?

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

Welkom lieve mensen van B2B
leg je spullen klaar op tafel om de les te beginnen 
- iPad
- Ga naar lessonup
- Ga in de les
- Stil tijdens uitleg ;)

Slide 5 - Tekstslide

Hoe kom je aan geld?

Slide 6 - Tekstslide

Inkomstenbronnen
PRIMAIRE INKOMENS

  • Arbeid                          loon of salaris als je werkt in loondienst
                                               winst als je werkt als ondernemer

  • Bezit                              rente, pacht of huur

Slide 7 - Tekstslide

Inkomstenbronnen
SECUNDAIRE INKOMENS

  • Overdrachtsinkomen    zonder tegenprestatie
                                                        bv. zakgeld of toeslagen

  • Inkomen in natura           niet in geld maar in producten
                                                         bv. auto, telefoon, laptop van de zaak

Slide 8 - Tekstslide

loon is een voorbeeld van...
A
overdrachtsinkomen
B
inkomen uit bezit
C
inkomen in natura
D
inkomen uit arbeid

Slide 9 - Quizvraag

Huur is een voorbeeld van ....
A
Inkomen uit arbeid
B
Inkomen uit bezit
C
Overdrachtsinkomen

Slide 10 - Quizvraag

Bij welke inkomensvorm is er geen sprake van een tegenprestatie?
A
inkomen uit bezit
B
inkomen uit arbeid
C
inkomen uit zorg
D
overdrachtsinkomen

Slide 11 - Quizvraag

Als je rente ontvangt op je spaarrekening dan is dit:
A
Inkomen in natura
B
Overdrachtsinkomen
C
Inkomen uit bezit
D
Inkomen uit arbeid

Slide 12 - Quizvraag


Kinderbijslag is primair inkomen.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 13 - Quizvraag

Pepijn heeft recht op huurtoeslag.
Hij krijgt ........
A
inkomen uit arbeid
B
een overdrachtsinkomen
C
inkomen uit bezit

Slide 14 - Quizvraag

Dennis heeft geld op de bank staan. Hij krijgt ieder jaar rente.
Hij krijgt ........
A
inkomen uit arbeid
B
een overdrachtsinkomen
C
inkomen uit bezit

Slide 15 - Quizvraag

Sam heeft deze maand € 4.000 winst gemaakt met haar eigen bedrijf.
Zij krijgt ........
A
inkomen uit arbeid
B
een overdrachtsinkomen
C
inkomen uit bezit

Slide 16 - Quizvraag

Wat is een uitkering?
A
inkomen dat je van de overheid krijgt
B
inkomen dat je van de bank krijgt
C
inkomen dat je van je ouders krijgt
D
een ander woord voor salaris

Slide 17 - Quizvraag

Welk inkomen wordt beschouwd als een overdrachtsinkomen?
A
Rente, dividend, huuropbrengst, pacht
B
Zakgeld

Slide 18 - Quizvraag

Wat zijn toeslagen eigenlijk?

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Video

Waarom inkomensverschillen?

Slide 21 - Tekstslide

Inkomensverschillen
  • de hoogte van je opleiding
  • je ervaring met het werk
  • de mate van verantwoordelijkheid
  • je leeftijd
  • de zwaarte van het werk

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Wat heb je geleerd?

Slide 24 - Tekstslide

Combineer de soorten inkomens met het voorbeeld
Uitkering
Winst
Loon
Ontvang je als je werkt voor een baas
Inkomen uit een eigen bedrijf
Inkomen als je werkloos bent

Slide 25 - Sleepvraag

Welk type inkomen wordt ontvangen in ruil voor arbeid?
A
Loon of salaris
B
Uitkering
C
Winst
D
Toeslag

Slide 26 - Quizvraag

Waarom verdient een Hartchirurg meer dan een Universiteit docent?
A
Geschoold
B
Verantwoordelijkheid
C
Leeftijd
D
Geslacht

Slide 27 - Quizvraag

Aan de slag
Maken van 2.2B en 2.2C

Klaar? > Rekenvaardigheden maken!

Slide 28 - Tekstslide

Welkom lieve mensen van B2B
leg je spullen klaar op tafel om de les te beginnen 
- iPad
- Ga naar lessonup
- Ga in de les
- Stil tijdens uitleg ;)

Slide 29 - Tekstslide

Huiswerk bespreken

Slide 30 - Tekstslide

Huiswerk bespreken

Slide 31 - Tekstslide


Kinderbijslag is primair inkomen.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 32 - Quizvraag


Loon is inkomen uit bezit.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 33 - Quizvraag

Een auto van de zaak is een
voorbeeld van secundair inkomen.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 34 - Quizvraag

Pepijn heeft recht op huurtoeslag.
Hij krijgt ........
A
inkomen uit arbeid
B
een overdrachtsinkomen
C
inkomen uit bezit

Slide 35 - Quizvraag

Dennis heeft geld op de bank staan. Hij krijgt ieder jaar rente.
Hij krijgt ........
A
inkomen uit arbeid
B
een overdrachtsinkomen
C
inkomen uit bezit

Slide 36 - Quizvraag

Sam heeft deze maand € 4.000 winst gemaakt met haar eigen bedrijf.
Zij krijgt ........
A
inkomen uit arbeid
B
een overdrachtsinkomen
C
inkomen uit bezit

Slide 37 - Quizvraag

Een auto van de zaak is een
voorbeeld van inkomen in natura.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 38 - Quizvraag

Welkom lieve mensen van B2B
leg je spullen klaar op tafel om de les te beginnen 
- iPad
- Ga naar lessonup
- Ga in de les
- Stil tijdens uitleg ;)

Slide 39 - Tekstslide

2.3 De producent

Slide 40 - Tekstslide

Waar denk je aan bij Produceren?

Slide 41 - Woordweb


"AlbertHeijn is opzoek naar 10 nieuwe vakkenvullers." Om welke kant van de 'Arbeidsmarkt' gaat het hier?
Welkom! Ga je in LessonUp en maak gelijk de start vraag! 
A
Vraag
B
Aanbod
C
Zowel Vraag als Aanbod
D
Dit heeft niks met vraag en aanbod te maken.

Slide 42 - Quizvraag

Een ondernemende indiaan start een kano-bedrijf. Hij produceert en verkoopt authentieke houten kano's.
Je krijgt 2 minuten de tijd om 5 dingen te noteren die hij nodig heeft (dat mag een product zijn, maar dat hoeft niet).

Slide 43 - Open vraag

Slide 44 - Tekstslide

Productiefactoren
  • Kapitaal
  • Arbeid
  • Natuur
  • Ondernemerschap
Kapitaal:<div>alle kapitaalgoederen waarin je geld investeert en die je langere tijd bij de productie gebruikt, zoals machines, gebouwen en voertuigen.</div>
Arbeid:<div>de lichamelijke en geestelijke inspanningen die de mensen bij de productie leveren</div>
Natuur:<div>Alles wat de natuur levert. Bijvoorbeeld de grond zelf, grondstoffen, aardolie en aardgas</div>
Ondernemerschap:<div>de activiteiten van de ondernemer, die het productieproces organiseert en leidt.</div>

Slide 45 - Tekstslide

We gaan nu een filmpje kijken.
Na het filmpje krijg je de volgende vraag: 

Welke beloning hoort bij welke productiefactor? 

Slide 46 - Tekstslide

Slide 47 - Video

Welke beloning hoort bij welke productiefactor?

Slide 48 - Open vraag

Vergoeding voor de productiefactoren
Kapitaal
Arbeid
Natuur
Ondernemerschap
huur, rente
loon
pacht
winst

Slide 49 - Tekstslide

de bedrijfskolom

Slide 50 - Tekstslide

Slide 51 - Video

Wat heb je geleerd?

Slide 52 - Tekstslide

Welkom lieve mensen van B2B
leg je spullen klaar op tafel om de les te beginnen 
- iPad
- Ga naar lessonup
- Ga in de les
- Stil tijdens uitleg ;)

Slide 53 - Tekstslide

Welke beloning hoort bij welke productiefactor?
Sleep de beloningen naar de juiste plek.
ondernemersschap
natuur
arbeid
kapitaal
salaris
rente
pacht
huur
winst

Slide 54 - Sleepvraag

Welke productiefactor?
120 stoelen en 25 tafels
A
Kapitaal
B
Arbeid
C
Natuur
D
Ondernemerschap

Slide 55 - Quizvraag

Welke productiefactor?
Besluiten om een
2e restaurant te openen
A
Kapitaal
B
Arbeid
C
Natuur
D
Ondernemerschap

Slide 56 - Quizvraag

Welke productiefactor?
25 mensen in de bediening
A
Kapitaal
B
Arbeid
C
Natuur
D
Ondernemerschap

Slide 57 - Quizvraag

Productiefactoren en de beloning
Om te produceren heb je productiefactoren nodig.
Iedere productiefactor heeft zijn eigen beloning.
Combineer de productiefactoren met de beloningen.


Arbeid
Kapitaal
Natuur
Ondernemerschap
Loon
Huur
Pacht
Winst
Rente

Slide 58 - Sleepvraag


In een bedrijfskolom loopt de .......
van boven naar beneden
A
goederenstroom
B
geldstroom

Slide 59 - Quizvraag

Reclame maken

Slide 60 - Tekstslide

Wat is geen productiefactor
A
Kapitaal
B
Ondernemerschap
C
Mentaal
D
Arbeid

Slide 61 - Quizvraag

Wat is de bedrijfskolom?
A
Een soort organisatiestructuur van een onderneming.
B
Alle bedrijven die meewerken aan een product.
C
Een kolom in een kantoorgebouw.
D
Een grafische weergave van bedrijfsprocessen.

Slide 62 - Quizvraag


In een bedrijfskolom loopt de .......
van boven naar beneden
A
goederenstroom
B
geldstroom

Slide 63 - Quizvraag

Stelling:
De consument behoort tot de bedrijfskolom
A
Juist
B
Onjuist

Slide 64 - Quizvraag

Wordt jij wel is beïnvloed door reclame?
A
Ja
B
Nee

Slide 65 - Quizvraag

Slide 66 - Video

Video kijken

Slide 67 - Tekstslide

Verschillende soorten reclame:
  • ideële reclame

  • commerciële reclame
  • merkreclame
  • informatieve reclame
  • sluikreclame

Slide 68 - Tekstslide

Ideële reclame
Heeft als doel de mentaliteit en het gedrag van mensen te veranderen.
Ideële reclame gaat vaak over maatschappelijke problemen.

Slide 69 - Tekstslide

Commerciële reclame
Bedoeld om te verleiden tot een aankoop.

Dit kan zijn:
- een informatieve reclame (info over het product);
- een merkreclame (vergroten naamsbekendheid).

Slide 70 - Tekstslide

merkreclame

Slide 71 - Tekstslide

informatieve reclame

Slide 72 - Tekstslide

Wat is het doel van reclame
A
Grappige filmpjes maken
B
Influencers geld betalen
C
Zorgen dat de consument wat koopt
D
Informeren

Slide 73 - Quizvraag


Wat voor reclame is dit?
A
Commerciële reclame
B
ideële reclame
C
Informatieve reclame
D
Dit is geen reclame

Slide 74 - Quizvraag

We gaan reclames kijken.
Jij beantwoord de vraag: Wie is de doelgroep?

Slide 75 - Tekstslide

0

Slide 76 - Video

Bekijk de reclame. Voor wie is de reclame gericht?
A
Kinderen tussen 3- 8 jaar
B
Kinderen tussen 10-15 jaar
C
Ouders van kinderen tussen 3-8 jaar
D
Ouders van kinderen tussen 10 -15 jaar

Slide 77 - Quizvraag

0

Slide 78 - Video

Bekijk de reclame. Voor wie is de reclame gericht?
A
Kinderen 10-15 jaar
B
Jongeren tussen 18-30 jaar
C
Vrouwen tussen 30-50 jaar
D
Mannen tussen 50 -60 jaar

Slide 79 - Quizvraag

0

Slide 80 - Video

Voor wie is de reclame gemaakt?
A
Jongeren tussen 12-16 jaar
B
Jongeren tussen 16 - 24 jaar
C
Mensen tussen 25-35 jaar
D
Ouderen

Slide 81 - Quizvraag

Wat is reclame?
A
Reclame is het promoten van bedrijven.
B
Reclame is het publiceren van informatie.
C
Reclame is het vragen van aandacht voor een product of boodschap.
D
Reclame is het verkopen van producten.

Slide 82 - Quizvraag

Bekende reclame slogans
  • Lego - met Lego kun je alles maken
  • Kruidvat - Steeds verrassend, altijd voordelig
  • Hema - Echt Hema
  • Mediamarkt - ik ben toch niet gek?
  • Ikea - elke dag anders
  • Jumbo - hallo Jumbo
  • Hornbach - er is altijd iets te doen
  • Red Bull geeft je vleugels
  • Ben - ik ben Ben
  • Bounty - een stukje paradijs op aarde
  • McDonalds - I'm loving it
OPDRACHT
  • met z'n 2-en
  • Welke 3 slogans
      vind je goed en
      waarom?
timer
7:00

Slide 83 - Tekstslide

Slide 84 - Video

Aan de slag met learnbeat - 2.4 verder maken (klaar? > 2.5)

Slide 85 - Tekstslide

Welkom lieve mensen van B2B
leg je spullen klaar op tafel om de les te beginnen 
- iPad
- Ga naar lessonup
- Ga in de les
- Stil tijdens uitleg ;)

Slide 86 - Tekstslide

Vorige keer?

Slide 87 - Tekstslide

Verschillende soorten reclame:
  • ideële reclame

  • commerciële reclame
  • merkreclame
  • informatieve reclame
  • sluikreclame

Slide 88 - Tekstslide

Hoe maak je winst?

Slide 89 - Tekstslide

Slide 90 - Video

Opdracht. 
Een kledingzaak verkoopt 230 T-shirts voor € 25 per stuk. 
De inkoopkosten per T-shirt zijn € 9.
De winkel betaalt € 400 aan huur en € 280 aan salarissen

Bereken             - de omzet
                               - de brutowinst
                               - de nettowinst

Slide 91 - Tekstslide

Opdracht. 
Een kledingzaak verkoopt 230 T-shirts voor € 25 per stuk. 
De inkoopkosten per T-shirt zijn € 9.
De winkel betaalt € 400 aan huur en € 280 aan salarissen

Bereken             - de omzet
                               - de brutowinst
                               - de nettowinst

Slide 92 - Tekstslide

Slide 93 - Tekstslide

Welkom lieve mensen van B2B
leg je spullen klaar op tafel om de les te beginnen 
- iPad
- Ga naar lessonup
- Ga in de les
- Stil tijdens uitleg ;)

Slide 94 - Tekstslide

Brutowinst = omzet - inkoopwaarde
A
Juist
B
Onjuist

Slide 95 - Quizvraag

Omzet = winst
A
Juist
B
Onjuist

Slide 96 - Quizvraag

Omzet = €110
Inkoopwaarde = €30,-
Brutowinst=....
A
€140,-
B
€80 verlies
C
€80,- winst
D
30x110 = €3.300,-

Slide 97 - Quizvraag

Omzet = €1.000,-
Brutowinst = €500,-
Inkoopwaarde = ...
A
€1.500,-
B
€500,-
C
-€500,-
D
-€1.500,-

Slide 98 - Quizvraag

Hoe bereken je de Omzet?

Omzet=...
A
Afzet x Verkoopprijs
B
Verkoopprijs x Inkoopprijs
C
Afzet x Omzet
D
Omzet x Verkoopprijs

Slide 99 - Quizvraag

Hoe wordt de brutowinst berekend?
A
Omzet x inkoopwaarde
B
Omzet / inkoopwaarde
C
Omzet - inkoopwaarde
D
Omzet + inkoopwaarde

Slide 100 - Quizvraag

Afmaken rekenvaardigheden.

Slide 101 - Tekstslide

Wat we 'echt verdient' hebben met onze verkopen is de
A
omzet
B
afzet
C
winst
D
inkoopwaarde

Slide 102 - Quizvraag

Voordeel van ZZP'er zijn is dat je kans hebt op een vast contract
A
Onjuist
B
Juist

Slide 103 - Quizvraag

Aan de slag 
Maken 2.4D

Klaar? Door met rekenvaardigheden ;)

Slide 104 - Tekstslide

 - De arbeidsmarkt
Welkom lieve mensen, pak je iPad om je toe te voegen aan de lessonup
- 10min uitleg dan Quizz 
- Nog opgaves maken
- Gezamenlijk afsluiten.

Slide 105 - Tekstslide

Slide 106 - Video

Wetten en regels
ter bescherming van de medewerkers

Slide 107 - Tekstslide

Arbeidstijdenwet

Slide 108 - Tekstslide

Slide 109 - Tekstslide


Afspraken over je werktijden zijn is een ...... arbeidsvoorwaarde.
A
primaire
B
secundaire

Slide 110 - Quizvraag

Tanja is 35 en werkt niet.
Ze heeft afgesproken met haar partner dat ze thuis voor de kinderen zorgt.
A
Tanja is werkloos.
B
Tanja is niet werkloos.

Slide 111 - Quizvraag

De winkel waar Bianca werkt sluit.
Bianca wordt werkloos.
Dit is een voorbeeld van ........
A
Conjuncturele werkloosheid
B
Structurele werkloosheid
C
Regionale werkloosheid
D
Tijdelijke werkloosheid

Slide 112 - Quizvraag


Iedereen heeft recht op een werkloosheidsuitkering.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 113 - Quizvraag

-
Aan de slag met 2.3 A en 2.3 B
Klaar? verder met > Rekenvaardigheden 

(Klaar? Ga alvast kijken naar 2.3C)

Slide 114 - Tekstslide

 - De arbeidsmarkt
Welkom lieve mensen, pak je iPad om je toe te voegen aan de lessonup
- 10min uitleg dan Quizz 
- Nog opgaves maken
- Gezamenlijk afsluiten.

Slide 115 - Tekstslide

Slide 116 - Video

Arbeidsmarkt
Is het geheel van vraag naar arbeid en het aanbod van arbeid.

De vraag naar arbeid komt van werkgevers / de bedrijven.

Het aanbod van arbeid komt van
werknemers.



Slide 117 - Tekstslide

Slide 118 - Video

Slide 119 - Tekstslide

Slide 120 - Video

Geregistreerde werklozen

  • Conjuncturele werkloosheid                 tijdelijk
  • Structurele werkloosheid                       het werk komt niet terug
  • Seizoenswerkloosheid
  • Frictiewerkloosheid
  • Regionale werkloosheid

Slide 121 - Tekstslide

Geregistreerde werklozen

  • Tussen de 15 en 67 jaar
  • Als je geen werk hebt, maar wel wilt en kunt werken
  • Ingeschreven bij het UWV
  • Direct beschikbaar 

Slide 122 - Tekstslide

UWV
  • checken of je recht hebt op een
      uitkering
  • betalen een uitkering
  • probeert aanbieders van
      arbeid in contact te brengen met
      vragers van arbeid
  • niet commercieel

Slide 123 - Tekstslide


Afspraken over je werktijden zijn is een ...... arbeidsvoorwaarde.
A
primaire
B
secundaire

Slide 124 - Quizvraag

Tanja is 35 en werkt niet.
Ze heeft afgesproken met haar partner dat ze thuis voor de kinderen zorgt.
A
Tanja is werkloos.
B
Tanja is niet werkloos.

Slide 125 - Quizvraag

De winkel waar Bianca werkt sluit.
Bianca wordt werkloos.
Dit is een voorbeeld van ........
A
Conjuncturele werkloosheid
B
Structurele werkloosheid
C
Regionale werkloosheid
D
Tijdelijke werkloosheid

Slide 126 - Quizvraag


Iedereen heeft recht op een werkloosheidsuitkering.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 127 - Quizvraag

UWV
  • checken of je recht hebt op een
      uitkering
  • betalen een uitkering
  • probeert aanbieders van
      arbeid in contact te brengen met
      vragers van arbeid
  • niet commercieel

Slide 128 - Tekstslide

Maak af 2.3 helemaal af.
Daarna door rekenvaardigheden

Slide 129 - Tekstslide

2.5A 
een getal berekenen met procenten

Slide 130 - Tekstslide

Slide 131 - Video

2.5B
Een stijging of een daling
in procenten berekenen

Slide 132 - Tekstslide

Slide 133 - Video

2.5C
Als 100% niet bekend is

Slide 134 - Tekstslide

Slide 135 - Video

 - De arbeidsmarkt
Welkom lieve mensen, pak je iPad om je toe te voegen aan de lessonup
- Procenten, Herhaal vragen
- Nog opgaves maken
- Gezamenlijk afsluiten.

Slide 136 - Tekstslide

Slide 137 - Tekstslide


Afspraken over je werktijden zijn is een ...... arbeidsvoorwaarde.
A
primaire
B
secundaire

Slide 138 - Quizvraag

Stelling:
De consument behoort tot de bedrijfskolom
A
Juist
B
Onjuist

Slide 139 - Quizvraag

loon is een voorbeeld van...
A
overdrachtsinkomen
B
inkomen uit bezit
C
inkomen in natura
D
inkomen uit arbeid

Slide 140 - Quizvraag

loon is een voorbeeld van...
A
overdrachtsinkomen
B
inkomen uit bezit
C
inkomen in natura
D
inkomen uit arbeid

Slide 141 - Quizvraag


Kinderbijslag is primair inkomen.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 142 - Quizvraag

Pepijn heeft recht op huurtoeslag.
Hij krijgt ........
A
inkomen uit arbeid
B
een overdrachtsinkomen
C
inkomen uit bezit

Slide 143 - Quizvraag

Wat is een uitkering?
A
inkomen dat je van de overheid krijgt
B
inkomen dat je van de bank krijgt
C
inkomen dat je van je ouders krijgt
D
een ander woord voor salaris

Slide 144 - Quizvraag

Welk inkomen wordt beschouwd als een overdrachtsinkomen?
A
Rente, dividend, huuropbrengst, pacht
B
Zakgeld

Slide 145 - Quizvraag

Welk type inkomen wordt ontvangen in ruil voor arbeid?
A
Loon of salaris
B
Uitkering
C
Winst
D
Toeslag

Slide 146 - Quizvraag

Waarom verdient een Hartchirurg meer dan een Universiteit docent?
A
Geschoold
B
Verantwoordelijkheid
C
Leeftijd
D
Geslacht

Slide 147 - Quizvraag


Loon is inkomen uit bezit.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 148 - Quizvraag

Sam heeft deze maand € 4.000 winst gemaakt met haar eigen bedrijf.
Zij krijgt ........
A
inkomen uit arbeid
B
een overdrachtsinkomen
C
inkomen uit bezit

Slide 149 - Quizvraag

Welke beloning hoort bij welke productiefactor?
Sleep de beloningen naar de juiste plek.
ondernemersschap
natuur
arbeid
kapitaal
salaris
rente
pacht
huur
winst

Slide 150 - Sleepvraag

Welke productiefactor?
120 stoelen en 25 tafels
A
Kapitaal
B
Arbeid
C
Natuur
D
Ondernemerschap

Slide 151 - Quizvraag

Welke productiefactor?
25 mensen in de bediening
A
Kapitaal
B
Arbeid
C
Natuur
D
Ondernemerschap

Slide 152 - Quizvraag

Wat is het doel van reclame
A
Grappige filmpjes maken
B
Influencers geld betalen
C
Zorgen dat de consument wat koopt
D
Informeren

Slide 153 - Quizvraag


Wat voor reclame is dit?
A
Commerciële reclame
B
ideële reclame
C
Informatieve reclame
D
Dit is geen reclame

Slide 154 - Quizvraag