TC A2 2.2 groot groter grootst

groot - groter - het grootst

TaalCompleet A2 
thema 2.2

 
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2MBOStudiejaar 2

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

groot - groter - het grootst

TaalCompleet A2 
thema 2.2

 

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we doen
*Bingo: herhalen van de geleerde woorden van 2.1
* Lesson up: uitleg en inoefenen van de trappen van vergelijking
* Zelfstandig werken in Taalcompleet

Welke materialen heb ik nodig voor deze les?
 Ipad met  koptelefoon, boek taalcompleet en een pen

Slide 2 - Tekstslide

Doel van de les
Aan het eind van de les kan ik de trappen van vergelijking goed gebruiken in een zin.

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Vergelijken
Je hebt in 1.15 geleerd dat je dingen of mensen in een zin met elkaar kunt vergelijken. (2e stap)
lang - langer - langst
In Nederland zijn de mensen langer dan in China.
Je zet -er achter het woord en je gebruikt ook vaak het woord dan

Slide 6 - Tekstslide

Vergelijken
Nu leer je dat bij de derde stap ook mensen en dingen kunt vergelijken in de derde stap.
Lang - langer - langst
Nederlanders zijn het langst van alle mensen in de wereld.
Je zet -st achter het woord en gebruikt ook het woord het erbij.

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

voorbeeld: vul in


klein                _______________          _________________

klein                    kleiner                      het kleinst

Slide 9 - Tekstslide

lang _______ ________

Slide 10 - Open vraag

langzaam _______ ________

Slide 11 - Open vraag

zwaar _______ ________

Slide 12 - Open vraag

__________ groter __________

Slide 13 - Open vraag

____________ ___________ het oudst

Slide 14 - Open vraag

_________ duurder __________

Slide 15 - Open vraag

____________ ____________ het sterkst

Slide 16 - Open vraag

jong ________ _________

Slide 17 - Open vraag

Welke zin is goed?
A
Lisa is jong dan Anna.
B
Lisa is jonger dan Anna.
C
Lisa is het jongst dan Anna.

Slide 18 - Quizvraag

Welke zin is goed?
A
Het kind is klein
B
Het kind is kleinst

Slide 19 - Quizvraag

Welke zin is goed?
A
De oma is het oud.
B
De oma is het ouder.
C
De oma is het oudst.

Slide 20 - Quizvraag

Welke zin is goed?
A
Een auto is duur dan een fiets.
B
Een auto is duurder dan een fiets.
C
Een auto is duurst dan een fiets

Slide 21 - Quizvraag

Welke zin is goed?

A
Een vliegtuig is snel.
B
Een vliegtuig is sneller een auto.
C
Een vliegtuig is snelst.
D
Een vliegtuig is het snelst dan een auto.

Slide 22 - Quizvraag

Ik begrijp de trappen van vergelijking en ik kan zelfstandig aan het werk.
😒🙁😐🙂😃

Slide 23 - Poll

Zelfstandig werken
Taalcompleet
2.2 maken.
2.1 afmaken.
Heb je alles af dan ga je op je eigen niveau verder daar waar je gebleven bent.

Slide 24 - Tekstslide

Ik heb de doelen behaald.
😒🙁😐🙂😃

Slide 25 - Poll