cross

E-Unit 3F

week 14 - March 30
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 30 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

week 14 - March 30

Slide 1 - Tekstslide

Learning aim
- Review adjectives ( bijvoegelijke naamwoorden) 
example: This mobile phone is very expensive.
- Reading skills training: I can understand a text about the pressures on teenagers to look good. ( = ik begrijp een tekst over de druk op tieners om er goed uit te zien.)

Slide 2 - Tekstslide

Make sure that you write everything in your notebook and mention the page + exercise number. I will check this and you will get a mark for it. 

Slide 3 - Tekstslide

Previous lesson - what do you remember?
Choose 2 adjectives from wordlist 3C and 3E that you could use to describe these things. 
Write it in your notebook:
Example: 1. a pair of jeans = expensive and comfortable
2. a city =
3. an exercise =
4. the weather = 
5. a classmate =

Slide 4 - Tekstslide

Use wordlist 3F+3H and practise the vocabulary. 
Listen to the pronunciation (= uitspraak) and repeat (= herhaal) the words.
Wordlist 3F+3H

Slide 5 - Tekstslide

3F -SB page 36 - Teenage pressures

  1. Look at the pictures 1,2,3,4
  2. What are these people doing? 
  3. Write in your notebook and use the given phrases from exercise 1.

Slide 6 - Tekstslide

SB page 36 - do ex. 2+3
  1. Lees de tekst door op blz. 37 en beantwoord de vraag bij lesje 2 voor jezelf. Zoek woorden op die je niet weet. 
  2. Tip: Reverso online dictionary https://www.reverso.net/text_translation.aspx?lang=EN
  3. Maak nu lesje 3: welke titels van A-G passen bij de paragrafen 1-5 van de tekst? 
  4. Write the answers in your notebook.

Slide 7 - Tekstslide

SB page 36 - ex. 6+7
  1. Lesje 6: Schrijf de gemarkeerde adjectives op van de tekst op blz. 37.
  2. Maak 2 rijtjes en zoek de woorden die het tegenovergestelde betekenen: dark-light
  3. Lesje 7: schrijf 4 adjectives die beginnen met un- ( unhappy)

Slide 8 - Tekstslide

Vwo SB page 36 - ex. 8
  • Write the phrases and use the given words from ex. 8. 
  • You can find it in the text. 

Slide 9 - Tekstslide

Vwo - SB page 36 - ex. 9
  1. Lees de stellingen a-i ( = statements) en verbind deze met de mensen die beschreven worden in paragrafen 1-5
  2. Write your answers in your notebook.

Slide 10 - Tekstslide

answers SB page 36 - ex. 1 

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Answers SB page 36 - ex. 3
A = 4
B = 3
C = 5
D = 1
E = none
F = 2
G = none

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

WB page 35: do ex. 1,2,3
  1. Zoek de tegengestelde adjectives en schrijf de antwoorden in je schrift. Je kunt de woorden vinden in wordlist 3F.
  2. Lees de tekst en beantwoord de vraag.
  3. Verbind de paragrafen 1-4 met de titels a-f. Er blijven er 2 over. 

Slide 18 - Tekstslide

Answers ex. 1+2  - WB page 35

answers ex. 1
fake-real
female-male
natural-artificial
special-ordinary

answer ex. 2: Grace
Answers ex. 3
a. 4
b. e
c.-
d. 1
e.-
f. 3

Slide 19 - Tekstslide

Lesson 2

Slide 20 - Tekstslide

Learning aim
I can talk about things that are happening now. 
  • watch the video clip:

Slide 21 - Tekstslide

Op de volgende dia staat een verhaaltje, schrijf de antwoorden in je schrift en let op de grammatica. Use the present continuous

Slide 22 - Tekstslide

Describe the picture from the previous slide, write the answers in your notebook:

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

In the next slide, you can practise the present continuous.
- write the answers in your notebook. 

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Answers worksheet
present continuous

Slide 28 - Tekstslide

Homework Wednesday April 1
Online Test: study wordlist 3A+3C
Study Grammar SB page 129: present continuous + paper present continuous in Dutch.( ik heb je een papier met uitleg gegeven van present continuous, staat ook op Moodle)

Slide 29 - Tekstslide

Online Toets instructie
  1. Zorg dat je woensdag 1 april om 10.00 klaar zit achter de computer om de toets te maken. 
  2. Ik mail de toets naar je toe, wees eerlijk tijdens het maken. 
  3. Je krijgt tot 10.30 de tijd om het te maken. 
  4. Als je het later inlevert, kun je geen voldoende krijgen. 

Slide 30 - Tekstslide