IB_FR_ZMYP2- Periode_1-Cours_9 20251121 révision

1 / 55
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 55 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Startklaar
Enlevez votre manteau. 
Mettez votre téléphone portable dans votre sac à dos.
Écouteurs dans vos sacs à dos.
Posez vos sacs à dos par terre.
Posez votre ordinateur portable ouvert sur la table.
Mettez votre matériel scolaire sur la table.
timer
5:00

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tijdens de les.../ Pendant le cours...

... vous êtes silencieux lorsque le professeur parle.
... vous êtes silencieux lorsqu'un camarade de classe parle.
... écoutez ce que le professeur dit et suivez les instructions.
... vous êtes amical à tout moment.
... vous participez activement.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welkom bij LA French
Unit 1: Hello...it's me! And how are you?/
Bonjour, je me présente! Comment allez-vous?
Learner Profile:
Communicators
ATL (Action: Teaching and learning through inquiry):
Communication/Collaboration/Reflection skills
Related concepts:
Audience and Context

- Audience refers to whomever a text or performance is aimed at: the reader, the listener, the viewer. 
- Context refers to the social, historical, cultural and workplace settings in which a text or work is produced.
Key concept:
Communication 
Statement of Inquiry : Communication, adapted to audience and context, can build open-minded and caring relationships, based on one’s identity.
Global context:
Identity formation

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Programma
  • Voorkennis/ Connaissances préalables
  • Leerdoelen opstellen/ Objectifs d’apprentissage
  • Huiswerkcorrectie/ Correction des devoirs - FA
  • Instructie/ Instructions
  • Aan de slag/ Connaissance d'aujourd'hui
  • Reflectie en leerdoelen check/ Réflexion et vérification des objectifs d'apprentissage

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Overzicht periode 1
Week 6
Week 7
Week 8
Week 9
Week 10
Comment présenter et identifier quelqu'un?

How to introduce and identify someone?

Quelles charactéristiques partage-t-on avec sa famille et ses amis?

Existe-t-il différents types de famille?

Révision/
Content review

Examen/
Test

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Terugblik-opdracht
hoeveel
wanneer
hoe
wie
waarom
wat
waar
quand
combien
qu'est-ce que
comment
qui
pourquoi

Slide 8 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Comment
Combien
Quand
Qui

Slide 9 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

vraagwoorden

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen

- Je sais écrire les verbes être et avoir au présent./ Ik weet hoe ik de werkwoorden 'être' en 'avoir' moet gebruiken.
- Je sais me présenter. / Ik weet hoe ik mezelf moet voorstellen.
- Je sais dire ce que je n'aime pas./ Ik weet zeggen wat ik niet leuk vind.
- Je sais décrire quelqu'un ou un animal./ Ik weet iemand of een dier te beschrijven.








Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

être
=
 zijn




il/elle/on
nous
vous
ils/elles
tu
je
sommes
sont
suis
êtes
es
est

Slide 12 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

j'
tu
il/elle/on
nous
vous
ils/elles
avoir (hebben)
Combineer de juiste vorm van avoir met het goede persoonlijk voornaamwoord
ai
as
a
avons
avez
ont

Slide 13 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Weet jij hoe de werkwoorden "être (to be)" en "avoir (to have)" in de tegenwoordige tijd worden vervoegd?

Sleep de vervoeging  naar het goede werkwoord.
AVOIR
ÊTRE
je suis
tu as
nous sommes
j'ai 
elle a
vous avez
elles  sont
tu es 
il est
ils ont

Slide 14 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Fais quatre phrases
je
tu
nous
ils
avoir
être
un livre
français
un élève
une robe
un enfant
néerlandais
bleu
intelligent

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je sais utiliser les verbes être et avoir.
Ik weet hoe ik de werkwoorden 'être' en 'avoir' moet gebruiken.
😒🙁😐🙂😃

Slide 16 - Poll

Deze slide heeft geen instructies


parler, regarder, donner, chercher, fermer, aider, adorer, jouer, etc
Stap 1: Vind de stam-> hele werkwoord min -er
parler   - er = parl (stam)
aider   -er = aid (stam) 



















Les verbes réguliers en -ER:

Révision

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

      Je                         +e             Je parle
        Tu                         +es          Tu parles
    Il/elle/on           +e             Il parle
                  Nous                  +ons        Nous parlons
               Vous                  +ez            Vous parlez
           Ils/elles            +ent         Ils parlent
chanter ,  travailler , écouter , rigoler, danser 

Stap 2:  Voeg daarna de uitgangen toe:
Verbes réguliers en -ER

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Attention
Na aimer/ adorer/ détester/ préférer krijg je altijd het bepaalde lidwoord le/ la/ l'/ les
Jullie houden van school. Vous aimez l'école
Jij hebt een hekel aan karamel. Tu détestes le caramel.
Wij zijn dol op soep: Nous adorons la soupe. 
Jullie houden van school. Vous aimez l'école
Zij hebben liever frietjes. Ils préfèrent les frites.

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Koppel de werkwoorden aan hun betekenissen.
Adorer
Détester
Aimer
Préferer
Houden van
Liever hebben/voorkeur
Dol zijn op
Een hekel hebben aan

Slide 20 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Verbindt de uitgangen met elk radicaal. 
Let op het persoonlijke voornaamwoord:
je, tu, il, nous, vous, ils
e
ons
e
es
ez
ent
Nous + stam-
Vous + stam-
Ils + stam-
Je + stam-
Tu + stam-
Il + stam-

Slide 21 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je 
ils / elles
Tu
Nous
il / elle
vous
m'appelle
t'appelles
s'appelle
nous appelons
vous appelez
s'appellent

Slide 22 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tu as quel âge?
J'ai douze ans!

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Elle a quel âge ?
A
Elle a cinq ans
B
Elle a six ans
C
Elle a six ans
D
Elle a huit ans

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe oud zijn de kinderen met de taart geworden?
Sleep het juiste getal naar de juiste taart!
Treize
Quatorze
Dix
Onze

Slide 26 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies


Observe cette image et rédige
une phrase au présent en Français./
Observe this image and write a
sentence in the present in French.
timer
1:00
Communication

Slide 27 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


Comment t’appelles-tu ?
Quel âge as-tu ?
Réponds avec des phrases complètes.
Answer in complete sentences.
timer
1:00
Communication

Slide 28 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Je sais me présenter. / Ik weet hoe ik mezelf moet voorstellen.
😒🙁😐🙂😃

Slide 29 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

La Négation

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

français
néerlandais
ne .... pas
ne .... plus
ne .... jamais
ne .... rien
ne .... pas encore
La négation
timer
1:00
niet meer
niets
nog niet
niet / geen
nooit

Slide 31 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

La Négation
NE ... PLUS = niet meer
NE ... JAMAIS = nooit
NE ... RIEN = niets
NE ... PAS ENCORE = nog niet

Slide 32 - Tekstslide

4. Inclusieve didactiek
De docent past een inclusieve didactiek toe door de interactie, eventueel in de thuistalen, in de klas te stimuleren om tot beter begrip van de lesstof te komen. De docent creëert een contextrijke leeromgeving door actief de culturele achtergronden van leerlingen bij de lesinhoud te betrekken. Hierin is de docent zich bewust van de verschillen in de klas. Door flexibel of heterogeen te differentiëren blijft iedereen bij de les betrokken. Gedurende de les reageert de docent positief en proactief op gedrag en maakt het daarmee makkelijker voor leerlingen om gewenst gedrag te laten zien.

Ik heb de stoel niet meer.
Grammaire 'La négation' 
timer
0:20
ai
plus
Je
la
n'
chaise

Slide 33 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies


Qu’est-ce que tu n’aimes pas manger ?
Écris une phrase complète.
Wat eet je niet graag? Schrijf een volledige zin.

timer
1:00
Communication

Slide 34 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Je sais dire ce que je n'aime pas.
Ik weet zeggen wat ik niet leuk vind.
😒🙁😐🙂😃

Slide 35 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Les articles - de lidwoorden
bepaald (de/het)
onbepaald (een)
mannelijk enkelvoud
le
l'
un
vrouwelijk enkelvoud
la
l'
une
meervoud
les
des

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

La Famille

Slide 37 - Tekstslide

5. Concrete en herkenbare voorbeelden
De docent maakt gebruik van praktische, herkenbare voorbeelden die aansluiten bij de Global Context, waardoor leerlingen deze kunnen relateren aan hun eigen leefwereld en ervaringen. De docent doet hierbij een beroep op dual coding. Door het visuele en het verbale te combineren vergroot de docent de kans dat lesstof beter bij de leerlingen blijft beklijven.

La famille
1- Comment s'appelle le grand-père de Jérôme ?
2- Comment s'appelle la tante de Dorothée ?
3-  Qui est la mère de Jérôme ?
4- Qui est la mère de Dorothée et de Julien ?
5- Comment s'appelle le père de Jacques ?

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Les adjectifs
Het bijvoeglijk naamwoord

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een......
A
bijwoord
B
werkwoord
C
voorzetsel
D
zelfstandig naamwoord

Slide 40 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Les adjectifs : masculin et féminin

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Terugblik-opdracht
Het bijvoeglijk naamwoord kan 4 vormen hebben
Mannelijk
Vrouwelijk
Enkelvoud
Meervoud
grande
grandes
grand
grands

Slide 42 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

beau
nouveau
vieux
fou
nouvelle
vieille
belle
folle

Slide 43 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

La place (plek) de l'adjectif
En néerlandais, l’adjectif se place devant le nom, tandis qu’en français, l’adjectif se place le plus souvent après le nom.

In het Nederlands staat het bijvoeglijk naamwoord voor het zelfstandig naamwoord, terwijl in het Frans het bijvoeglijk naamwoord meestal achter het zelfstandig naamwoord staat. Hier is een voorbeeld.

De rode boot.                   le bateau rouge.

Slide 44 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Exceptions
Il existe un certain nombre d’exceptions : ces adjectifs se placent toujours avant le nom.
Wel zijn er een aantal uitzonderingen, deze bijvoeglijke naamwoorden staan altijd voor het zelfstandig naamwoord, gevolgd door nog weer een voorbeeld:

Bon, beau, joli, haut, long, petit, jeune, vieux, grand, gros, mauvais en nouveau
De nieuwe boot.          Le nouveau bateau.

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ces adjectifs se placent toujours avant le nom.
Deze bijvoeglijke naamwoorden staan altijd voor het zelfstandig naamwoord.
Exceptions

Slide 46 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Qui est-ce?

Slide 47 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Qui est-ce?

Slide 48 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Relie les phrases
Verbind de zinnen/ Connect the sentences
J'ai douze ans. 
Comment tu t'appelles ? 
Tu as quel âge ? 
Je suis Marie. 
Ik ben twaalf jaar. 
Hoe heet je? 
Hoe oud ben je? 
Ik ben Marie.

Slide 49 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tu as un animal domestique!

un chien
un chat
un lapin
un cochon d'Inde
un poisson (rouge)
un cheval
un oiseau


nom, âge, yeux, couleur des poils 
timer
1:00

Slide 50 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Je sais décrire quelqu'un ou un animal.
Ik weet iemand of een dier te beschrijven.
0100

Slide 51 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Reflectie
Give your teacher a suggestion to improve the class. 
What should your teacher continue to do?

Slide 52 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Reflectie
  • - Je sais écrire les verbes être et avoir au présent./ Ik weet hoe ik de werkwoorden 'être' en 'avoir' moet gebruiken.
  • - Je sais me présenter. / Ik weet hoe ik mezelf moet voorstellen.
  • - Je sais dire ce que je n'aime pas./ Ik weet zeggen wat ik niet leuk vind.
  • - Je sais décrire quelqu'un ou un animal./ Ik weet iemand of een dier te beschrijven.

Slide 53 - Tekstslide

8. Afsluiting
De docent controleert in de slotfase van de les of de leerdoelen door alle leerlingen behaald zijn en plaatst de les in de context van de betreffende Unit. De docent evalueert samen met de leerlingen het leren en het gedrag op basis van het Learner Profile en de ATL-skills. Dit wordt vastgelegd in Toddle. Samen blikken docent en leerlingen vooruit aan de hand van de JdW-planner.

Bonne journée!

Slide 54 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 55 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies