samenvatting

Samengestelde zinnen  &  voegwoorden
1 / 47
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 47 slides, met tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Samengestelde zinnen  &  voegwoorden

Slide 1 - Tekstslide

Grammatica en spelling havo
  • Voegwoorden / signaalwoorden kennen en toepassen.
  • Samengestelde zinnen terug kunnen brengen naar enkelvoudige zinnen.
  • Van enkelvoudige zinnen meervoudige zinnen kunnen maken.
  • Verwijswoorden (die/dat) toepassen.
  • Zinsvolgorde/zinsbouw. Ond – pv – verder. Fouten herkennen.

  • Toets is over 2 weken vanaf vandaag.


Slide 2 - Tekstslide

Grammatica en spelling vwo
  • Je leert voeg- en signaalwoorden herkennen en gebruiken.
  • Je leert wat hoofd- en bijzinnen zijn.
  • Je leert samengestelde zinnen te herschrijven naar enkelvoudige zinnen.
  • Je leert enkelvoudige zinnen te herschrijven naar samengestelde zinnen.
  • Je leert al deze zinnen te schrijven in goede zinsvolgordes.
  • Je leert de juiste verwijswoorden toe te passen in (samengestelde) zinnen.

  • Toets is over 3 weken vanaf vandaag.

Slide 3 - Tekstslide

Leren voor de toets
  • Neem goed de stappen (theorie)
  • Leer de signaal- en voegwoorden
  • Maak de opdrachten uit het opdrachtenboekje (zie mail op somtoday)
  • Maak de oefentoets (zie mail op somtoday)
  • Maak de opdrachten uit de lessen.

Slide 4 - Tekstslide

Twee soorten zinnen
  • Enkelvoudige zin (1 persoonsvorm):
  • De docent roept de leerlingen.
  • De leerlingen stoppen met praten.

  • Samengestelde zin (meer dan 1 persoonsvorm):
  • De docent roept de leerlingen en de leerlingen stoppen met praten.

Slide 5 - Tekstslide

Hoofd- en bijzinnen

  • Samengestelde zinnen bestaan uit hoofdzinnen en/of bijzinnen.



Slide 6 - Tekstslide

Hoofdzinnen 
  • De hoofdzin is een zelfstandige zin en kan dus op zichzelf bestaan.
  • In een hoofdzin: 
  • De persoonsvorm en het onderwerp staan naast elkaar. 
  • De persoonsvorm staat vooraan in de zin: op de eerste of tweede plaats.
  • Een hoofdzin kan zelfstandig bestaan. 





      Slide 7 - Tekstslide

      Hoofdzinnen
      • Er zijn drie opties:
      • Hoofdzin - hoofdzin
      • Rick eet geen fastfood meer, want anders komt hij snel aan.
      • Hoofdzin - bijzin
      • Abigail heeft al een paar dagen koorts, maar voelt zich prima.
      • Bijzin - hoofdzin
      • Hoewel ik het hem drie keer gevraagd had, was hij het alsnog vergeten.

      Slide 8 - Tekstslide

      Hoofd- en bijzinnen

      • 1. {hoofdzin} + {hoofdzin}
      • Hij zwaait opa en oma uit, want die gaan een grote reis maken.
      • 2. {hoofdzin} + (bijzin) 
      • Hij hoopt, dat hij opa en oma kan uitzwaaien.
      • 3. (bijzin)+  {hoofdzin}
      • Omdat opa en oma op reis gaan, zwaait hij ze uit.

      Slide 9 - Tekstslide

      Hoofd- en bijzinnen

      Zo herken je hoofd- en bijzinnen:

      • Maak de zin vragend; dan vind je de PV van de hoofdzin.
      • Verander de zin van tijd; dan vind je alle PV's in de zin.
      • Zoek van de zinnen alle PV's en O's.
      • Probeer of je tussen de PV en O een woord kunt invoegen.

            - Dat lukt niet: hoofdzin.

            - Dat lukt wel: bijzin.

      Slide 10 - Tekstslide

      Dus:
      HZ + HZ = nevenschikking
      De zinnen zijn gelijkwaardig







      Dus: 

      HZ + BZ = onderschikking

      BZ + HZ = onderschikking

      Bijzin kan niet op zichzelf bestaan. Heeft een hoofdzin nodig.

      Slide 11 - Tekstslide

      Slide 12 - Video

      Signaalwoorden
      • Signaalwoorden zijn als wegwijzers in een tekst. 
      • Ze geven aan welk soort informatie wordt gepresenteerd en wat de lezer kan verwachten.  
      • Ze kunnen betrekking hebben op tijd (bijvoorbeeld: "eerst," "daarna"), opsomming (bijvoorbeeld: "ten eerste," "bovendien"), conclusie (bijvoorbeeld: "kortom," "samengevat") en meer.
      • Voorbeeld: Er zijn verschillende redenen om te sporten. Ten eerste verbetert het je fysieke gezondheid. Bovendien helpt sporten ook bij stressvermindering.

      Slide 13 - Tekstslide

      Voegwoorden
      • Voegwoorden zijn woorden die zinnen aan elkaar koppelen en de relatie tussen die zinnen aangeven. 
      • Voegwoorden kunnen bijvoorbeeld een oorzaak-gevolgrelatie (bijvoorbeeld: "omdat," "daarom"), een tegenstelling (bijvoorbeeld: "maar," "hoewel"), een vergelijking (bijvoorbeeld: "zoals," "evenals") of andere soorten verbanden aanduiden.
      • Hij wilde naar de film, want de recensies waren positief.

      Slide 14 - Tekstslide

      • Nevenschikkende voegwoorden
      • Gebruik je bij een hoofdzin + hoofdzin

      • en
      • maar
      • want 
      • of
      • dus
      • dan (wel)

      • Onderschikkende voegwoorden
      • Gebruik je bij een hoofdzin + bijzin of bijzin + hoofdzin

      • wanneer, als, terwijl, zodra, voordat, voor, nu, toen, nadat, zolang als, totdat, sinds, doordat, zodat, waardoor, omdat, opdat, indien, mits, tenzij, hoewel, ofschoon, ondanks dat, zoals, alsof, dat.

      Slide 15 - Tekstslide

      Zinsverbanden en signaalwoorden
      • Zinnen en alinea’s staan niet zomaar achter elkaar. Tussen zinnen en alinea’s bestaan verbanden. Ze vormen samen een goed lopend geheel. 

      • Een verband tussen zinnen: zinsverband
      • Een verband tussen alinea’s: alineaverband

      • Vaak wordt een verband aangegeven door een signaalwoord.
      • Soms moet je het signaalwoord er zelf bij bedenken. 


      Slide 16 - Tekstslide

      Verschil voegwoorden en signaalwoorden
      • Voegwoorden en signaalwoorden zijn grotendeels hetzelfde. 
      • Grammatica - voegwoorden: 
      • Woorden die woorden, zinnen, zinsdelen aan elkaar voegen.
      • Lees-/schrijfvaardigheid - signaalwoorden: 
      • Woorden die aangeven welk verband er bestaat tussen zinnen. 

      • Ik houd van pizza, maar niet van pasta.
      • Maar = voegwoord: verbindt 2 zinnen aan elkaar
      • Maar = signaalwoord: geeft een tegenstellend verband aan

      Slide 17 - Tekstslide

      Zinsverbanden: opsomming en tegenstelling
      • Opsomming/opsommend verband
      • Na een uitspraak worden verschillende dingen opgesomd.
      • Signaalwoorden: ook, verder, bovendien, daarnaast, nog, niet alleen...maar ook, ten eerste, ten tweede
      • VB: Wij hebben diverse sporten gedaan. Eerst hebben we gevoetbald, daarna gevolleybald en tot slot gebasketbald.

      • Tegenstelling/tegenstellend verband
      • Na een uitspraak wordt het tegengestelde beweerd.
      • Signaalwoorden: maar, daarentegen, echter, integendeel, enerzijds...
      • anderzijds, daar staat tegenover
      • VB: Ik wilde graag gaan sporten, maar ik moest huiswerk maken.

      Slide 18 - Tekstslide

      • Zinsverbanden: voorbeeld en middel-doel
      • Voorbeeld/voorbeeldgevend
      • Na een uitspraak volgt een voorbeeld / een aantal voorbeelden.
      • Signaalwoorden: bijvoorbeeld, als voorbeeld, zo, zoals
      • bv: Mijn vriendin is gek op Russisch eten, zoals plov.

      • Middel-doel
      • Iemand noemt een doel en een middel waarmee dat doel kan worden bereikt.
      • Signaalwoorden: waarmee, daarmee, met dat doel, het doel is, door middel van, om te...
      • bv: De ridder doodt de draak, daarmee wil hij het hart van de prinses veroveren.

      Slide 19 - Tekstslide

      Zinsverbanden: vergelijking en voorwaarde
      • Vergelijking/vergelijkend verband
      • Na een uitspraak worden er 2 of meer dingen met elkaar vergeleken. Signaalwoorden: zoals, hetzelfde, dezelfde, in vergelijking met
      • vb: Ik houd niet van sperziebonen, evenals gekookte wortels, die lust ik ook niet.

      • Voorwaarde/voorwaardelijk verband
      • Bij een uitspraak wordt in de zinnen ervoor of erna een voorwaarde gesteld.
      • Signaalwoorden: als, mits, wanneer, indien, tenzij, op voorwaarde dat
      • vb: Ik ga dat echt niet doen, tenzij ik er betaald voor krijg,

      Slide 20 - Tekstslide

      Zinsverbanden: reden en oorzaak-gevolg
      • Reden/redengevend verband
      • Na of voor een uitspraak wordt een reden genoemd. Een reden geeft aan waarom iemand iets wel of niet doet.
      • Signaalwoorden: daarom, want, omdat, namelijk
      • VB: We krijgen bij Nederlands veel huiswerk, om die reden is hij mijn minst favoriete docent.

      • Oorzaak-gevolg
      • Iemand doet een uitspraak die een oorzaak heeft. Daarna wordt het gevolg genoemd.
      • Signaalwoorden: daardoor, hierdoor, doordat, zodat, waardoor
      • VB: Soms geeft de docent op vrijdag huiswerk voor maandag, waardoor mijn weekendplannen in het water vallen.

      Slide 21 - Tekstslide

      Zinsverbanden: samenvatting en conclusie
      • Samenvatting/samenvattend verband
      • Na één of meer uitspraken worden de belangrijkste punten samengevat.
      • Signaalwoorden: kortom, samenvattend, al met al, etc.
      • VB: Op zaterdag heb ik een voetbalwedstrijd en op zondag ga ik naar de stad met vrienden. Al met al heb ik een druk weekend.

      • Conclusie/concluderend verband
      • Na één of meer uitspraken volgt een eindoordeel of besluit.
      • Signaalwoorden: dus, concluderend, hieruit volgt, etc.
      • VB: Er zijn veel lessen uitgevallen, dus de docent moet de deadline voor het opstel maar even uitstellen.

      Slide 22 - Tekstslide

      Slide 23 - Tekstslide

      Lange zinnen
      • Een veelgemaakte fout in geschreven teksten, is dat er door de schrijver veel te lange zinnen zijn gemaakt. Kijk bijvoorbeeld maar naar deze alinea die een leerling uit klas 2 schreef:

      • “Ik zou dit boek aanraden omdat het een leuk boek is ook voor mensen die niet van lezen houden omdat het niet kort is en als je fan bent van wielrennen is het zeker interessant om te horen hoe het eraan toe gaat in een race.”
      • Dat kan korter.

      Slide 24 - Tekstslide

      Van samengesteld naar enkelvoudig
      • Hoe zat het ook alweer?

      • Stap 1: Haal de zinsdelen uit elkaar, onderstreep de onderwerpen en persoonsvormen en haal het voegwoord weg.

      • Stap 2: Pas waar nodig de woordvolgorde aan. (persoonsvorm en onderwerp moeten naast elkaar).

      • Stap 3: Geef het verband tussen de zinnen aan met een nieuw voegwoord (het voegwoord tussen de twee zinnen is er niet meer). Het nieuwe voegwoord moet hetzelfde verband aangeven, als in de oorspronkelijke zin. 


      Slide 25 - Tekstslide

      Van samengestelde zinnen naar enkelvoudige zinnen
      • Van de samengestelde zin ‘De lange bootreis die ik maakte van Zuid-Amerika naar Afrika heb ik erg zwaar gevonden.’ kun je de volgende twee enkelvoudige zinnen maken:

      • ‘Ik maakte een lange bootreis van Zuid-Amerika naar Afrika. Deze bootreis heb ik erg zwaar gevonden.’


      Slide 26 - Tekstslide

      “De lange bootreis van Zuid-Amerika naar Afrika heb ik erg zwaar gevonden, omdat ik te weinig eten mee aan boord had genomen.”
      • Stap 1: doe de tijdproef, dan ontdek je dat er twee persoonsvormen in deze samengestelde zin zitten: ‘heb’ en ‘had’. De zinnen zijn redengevend verbonden door het voegwoord ‘omdat’.
      • Stap 2: om van deze samengestelde zin twee enkelvoudige zinnen te maken, moet je de ‘gevoegde’ delen uit elkaar halen. Haal het voegwoord weg, dan krijg je dit:
      • Stap 2: “De lange bootreis van Zuid-Amerika naar Afrika heb ik erg zwaar gevonden. Ik te weinig eten mee aan boord had genomen.”
      • Stap 3: Het voegwoord 'omdat' blijft door het uit elkaar halen over. Omdat hoort bij een redengevend tekstverband, dus we moeten een reden toevoegen en de persoonsvorm en onderwerp naar elkaar toeschrijven. We hebben namelijk twee hoofdzinnen nodig. 
      • “De lange bootreis van Zuid-Amerika naar Afrika heb ik erg zwaar gevonden. Ik had (namelijk) te weinig eten mee aan boord genomen.”

      Slide 27 - Tekstslide

      Van samengesteld naar enkelvoudig
      • Het kunnen vinden van de persoonsvorm is hier een voorbeeld van, omdat het aantal persoonsvormen een indicatie geeft van het aantal hoofd- en bijzinnen.

      • Stap 1: Haal de zinsdelen uit elkaar en haal het voegwoord weg.
      • Het kunnen vinden van de persoonsvorm is hier een voorbeeld van.
      • Het aantal persoonsvormen een indicatie geeft van het aantal hoofd- en bijzinnen.

      • Stap 2: Pas waar nodig de woordvolgorde aan. 
      • Het kunnen vinden van de persoonsvorm is hier een voorbeeld van.
      • Het aantal persoonsvormen geeft een indicatie van het aantal hoofd- en bijzinnen.

      Slide 28 - Tekstslide

      Conclusie: meerdere voegwoorden mogelijk die hetzelfde verband aangeven
      • Je kunt meerdere voegwoorden kiezen om toe te voegen aan de enkelvoudige zinnen. Deze voegwoorden moeten wel hetzelfde verband aangeven als het oorspronkelijke voegwoord (zie les 2).

      • Samengestelde zin
      • Het kunnen vinden van de persoonsvorm is hier een voorbeeld van, omdat het aantal persoonsvormen een indicatie geeft van het aantal hoofd- en bijzinnen.

      • Enkelvoudige zinnen
      • Het kunnen vinden van de persoonsvorm is hier een voorbeeld van.
      • Het aantal persoonsvormen geeft namelijk / immers een indicatie van het aantal hoofd- en bijzinnen.

      Slide 29 - Tekstslide

      Van enkelvoudig naar samengesteld
      • Enkelvoudige zinnen die goed bij elkaar horen moet je op de juiste manier bij elkaar voegen, zodat je correct opgebouwde samengestelde zinnen schrijft.
      • Zorg ervoor dat de inhoud niet verandert. 
      • Hiervoor moet je kennis hebben van de onderschikkende en nevenschikkende voegwoorden en de zinsverbanden (+ bijbehorende signaalwoorden).

      Slide 30 - Tekstslide

      Komma's plaatsen
      • Let erop dat je komma’s op de juiste manier gebruikt: plaats ze vóór de voegwoorden die een komma nodig hebben (zoals ‘maar’, ‘want’ en ‘omdat’). 
      • Kijk ook goed naar adempauzes in de zin, ook daar moet je vaak een komma plaatsen.

      Slide 31 - Tekstslide

      Voorbeeld
      • De dieren in de Oostvaardersplassen kunnen er zelf natuurlijk niets aan doen. Ze zijn met teveel. Ze vreten de hele weide kaal.


      • Gegeven: eerst een tegenstellend en dan een opsommend verband.


      • Antwoord: De dieren in de Oostvaardersplassen kunnen er zelf natuurlijk niets aan doen, maar ze zijn met teveel en ze vreten de hele weide kaal.

      Slide 32 - Tekstslide

      Verwijswoorden
      • Een verwijswoord is een woord dat naar een ander woord, een woordgroep of een hele zin verwijst.

      • Saskia geniet van de warme zomerdagen. Ze gaat lekker zwemmen en eet heerlijke ijsjes.

      • Het woord ‘Ze’ is een verwijswoord, want het verwijst naar Saskia. Het is dezelfde persoon.

      • Verwijswoorden worden niet voor niks gebruikt. Kijk maar eens wat er gebeurt als je géén verwijswoorden gebruikt:

      • Siem heeft zin in de vakantie. Siem gaat dan samen met Siems ouders een weekje weg. Siems vader heeft Siem verteld dat ze naar Kreta gaan.

      Slide 33 - Tekstslide

      Betrekkelijk voornaamwoord (die/dat/wat)
      • Die verwijst naar de-woorden en meervoudsvormen.
      • De sollicitant die als eerste reageerde, was ook de beste.
      • Er zijn mensen die al dertig jaar lid zijn van de schaatsvereniging.

      • Dat verwijst naar het-woorden.
      • Het boek dat ik lees, is erg spannend.
      • De stagiair vertelde enthousiast over het plan dat hij ’s nachts bedacht had.
      • Het meisje dat piloot wil worden, zit naast Jaap.

      • Wat verwijst naar hele zinnen.
      • Fenna wilde graag naar de speeltuin, wat haar moeder een uitstekend idee vond.





      Slide 34 - Tekstslide

      Die/dat en deze/dit
      • In teksten gebruik je vaak verwijswoorden om naar eerdergenoemde woorden, zinsdelen of zinnen te verwijzen. Hiermee voorkom je storende woordherhalingen. Het is dan wel belangrijk dat je de juiste verwijswoorden gebruikt.
      • Als je verwijst naar een zelfstandig naamwoord, dan moet je kijken naar het lidwoord
      dat voor het zelfstandig naamwoord staat of kan staan. Is het een ‘de‘ of een ‘het’ woord?
      • Voor ‘de woorden’ gebruik je de verwijswoorden ‘die’ en ‘deze’. Kijk maar:
      De jongen die, de prijzen die... Deze (jongen), deze (prijzen)
      • Voor ‘het woorden’ gebruik je de verwijswoorden ‘dat’ en ‘dit’. Kijk maar:
      Het meisje dat..., het jongetje dat..., Dit meisje, dit jongetje.

      Slide 35 - Tekstslide

      Dat en Wat
      • Keek op de week met Van Kooten en De Bie.
      • Kijk en luister goed naar het filmpje en beantwoord de vraag.

      • Vraag:
      • Welke regels over de verwijswoorden ‘wat’ en ‘dat’ haal je uit het filmpje? 

      Slide 36 - Tekstslide

      Wanneer verwijs je met 'wat'?
      • Na de overtreffende trap, verwijs je met wat.
      • Dit is het mooiste cadeau, wat ik kon vinden. Het enige wat ik kan bedenken...

      • Na onbepaalde woordjes als: ‘alles’ en ‘niets’ verwijs je met wat.
      • Niets is wat het lijkt. Alles wat ik heb gevonden.  

      • Als het betrekkelijk voornaamwoord. verwijst naar een hele zin, verwijs je met wat.
      • Morgen geef ik een feest, wat ik heel leuk vind.

      Slide 37 - Tekstslide

      Wanneer verwijs je met ‘dit/dat'?
      • Dat / Dit
      • Is het zelfstandig naamwoord een het-woord
      • Dan verwijs je met dat en dit.

      • Het eten, dat koud is geworden.
      • Het eten is koud geworden. Dat/dit ga ik niet meer opeten.



      Slide 38 - Tekstslide

      Wanneer verwijs je met ‘die/deze’?
      • Die / Deze
      • Is het zelfstandig naamwoord een de-woord
      • Dan verwijs je met ‘die’.

      • De jongen heeft zijn huiswerk niet gemaakt. Welke jongen? Die zijn huiswerk niet heeft gemaakt.
      • De jongen, die zijn huiswerk niet heeft gemaakt.
      • Deze jongen heeft zijn huiswerk niet gemaakt.

      Slide 39 - Tekstslide

      Wanneer verwijs je met 'wie'?
      • Als je terug verwijst naar een persoon, gebruik je wie.
      • Hij is iemand, wie ik niet vertrouw. (Die mag hier ook en is gebruikelijker.)
      • De jongen wie ik niet vertrouw. (Die mag hier ook en is gebruikelijker.)

      • Na een voorzetsel verwijs je met wie naar personen.
      • Dat is de jongen op wie ik niet vertrouw. (niet: waarop) 
      • Dat is de jongen met wie ik heb samengewerkt. (niet: waarmee) 

      Slide 40 - Tekstslide

      Wanneer verwijs je met waarmee, waarvan?
      • Je gebruikt waarmee, waarvan, om te verwijzen naar zaken en begrippen.

      • Het boek waarover je zo enthousiast vertelde, is me ook goed bevallen.
      • Het huwelijk waaraan je vast zit.
      • De trein waarmee je naar Parijs ging.

      Slide 41 - Tekstslide

      Wanneer verwijs je met 'haar'?
      • Is het zelfstandig naamwoord een de-woord? Dan verwijs je met haar.
      • De gemeente liet weten dat zij haar plannen niet zal wijzigen.

      • Is het duidelijk dat het het-woord naar een meisje/vrouw (iemand van het vrouwelijk geslacht) verwijst, dan verwijs je met haar.
      • Het meisje en haar vrienden.




      Slide 42 - Tekstslide

      Wanneer verwijs je met 'zijn'?
      • Is het zelfstandig naamwoord een het-woord? Dan verwijs je met zijn.

      • Het management en zijn inspanningen.
      • Het managementteam verwacht dat het spoedig zijn inspanningen kan vergroten.



      Slide 43 - Tekstslide

      Wanneer verwijs je met 'hun'?
      • Hun gebruik je nooit als onderwerp! 
      • Hun kwamen te laat in de les. (Dit is fout!)

      • Hun gebruik je als bezittelijk voornaamwoord
      • Anja noteert hun gegevens op de lijst.
      • Is deze auto van hun vader?


      Slide 44 - Tekstslide

      Wanneer verwijs je met 'hun'?
      • Hun gebruik je als meewerkend voorwerp waar geen voorzetsel voor staat

      • Ik geef hun een boek. (hun = aan hen).
      • Ik schonk hun een kopje koffie in. (hun = voor hen).
      • De tranen sprongen hun in de ogen. (hun = bij hen).
      • Hij rookt hun te veel. (hun = volgens hen).

      • (Het voorzetsel kun je er vaak wel bij denken!)

      Slide 45 - Tekstslide

      Wanneer gebruik je 'hen'?
      • Hen gebruik je als lijdend voorwerp (wie + gezegde + onderwerp?)
      • Ik bekijk hen.
      • Hij ontslaat hen.


      • Hen gebruik je wel na een voorzetsel.
      • Ik geef het boek aan hen.
      • Hoe gaat het met hen?

      Slide 46 - Tekstslide

      Gebruik 'ze' bij twijfel
      • Lukt het niet om te bepalen of je 'hen' of 'hun' gebruikt? Gebruik dan ze. 

      • Ze is vaak goed bruikbaar als alternatief voor hen én hun.
      • Ik geef ze (of: hun) het boek. Laat ze (of: hen) maar praten.

      • Let op: hen en hun kunnen alleen gebruikt worden om naar personen te verwijzen. Naar dieren, voorwerpen, zaken, enz. verwijs je met ze.
      • Ik haal de boeken op en geef ze (niet: hen) aan jou.

      Slide 47 - Tekstslide