Duits week 1 - oefenen met signaalwoorden

Üben mit ......
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Üben mit ......

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide


Welk signaalwoord ontbreekt er bij nummer 1
A
daher
B
nähmlich
C
wegen
D
wenn

Slide 3 - Quizvraag


Welk signaalwoord ontbreekt er bij nummer 2
A
auch
B
daneben
C
oder
D
und

Slide 4 - Quizvraag


Welk signaalwoord ontbreekt er bij nummer 3
A
aber
B
doch
C
obwohl
D
statt

Slide 5 - Quizvraag


Welk signaalwoord ontbreekt er bij nummer 4
A
Außerdem
B
Auch
C
daneben
D
oder

Slide 6 - Quizvraag


Welk signaalwoord ontbreekt er bij nummer 5
A
also
B
auch
C
oder
D
weil

Slide 7 - Quizvraag


Welk signaalwoord ontbreekt er bij nummer 6
A
auch
B
kaum
C
manchmal
D
regelmäßig

Slide 8 - Quizvraag


Welk signaalwoord ontbreekt er bij nummer 7
A
besonders
B
sogar
C
so
D
wie

Slide 9 - Quizvraag


Welke functie heeft het  signaalwoord bij nummer 8?
A
denn = reden
B
denn = tegenstelling
C
denn = tijd
D
denn = voorbeeld

Slide 10 - Quizvraag


Welke functie heeft het signaalwoord bij nummer 9?
A
Und = conclusie
B
Und = hoeveelheid
C
Und =oorzaak
D
Und = opsomming

Slide 11 - Quizvraag


Welke functie heeft het signaalwoord bij nummer 10?
A
Aber = reden
B
Aber = tegenstelling
C
Aber = tijd
D
Aber = voorbeeld

Slide 12 - Quizvraag


Welk signaalwoord ontbreekt er bij nummer 11?
A
aber
B
als
C
wenn
D
denn

Slide 13 - Quizvraag


Welk signaalwoord ontbreekt er bij nummer 12?
A
aber
B
ob
C
oder

Slide 14 - Quizvraag


Welke functie heeft het signaalwoord bij nummer 13?
A
Denn = reden
B
Denn = tegenstelling
C
Denn = tijd
D
Denn = voorbeeld

Slide 15 - Quizvraag


Kies de vertaling van het signaalwoord bij nummer 14?
A
dass = dat
B
dass = doordat

Slide 16 - Quizvraag


Kies de vertaling van het signaalwoord bij nummer 15?
A
vor allem = voor iedereen
B
vor allem = vooral

Slide 17 - Quizvraag


Kies de vertaling van het signaalwoord bij nummer 16?
A
nicht nur = niet alleen
B
nicht nur = aan de ene kant

Slide 18 - Quizvraag


Aus welchem Grund arbeitet Hannah lieber im Wildtierpark als im Tierschutzverein? (Absatz 1)
A
Im Tierschutzverein bekam sie immer nur einen Jahresvertrag
B
Im Tierschutzverein war ihr die Verantwortung zu groß
C
Im Wildpark gibt es mehr Vortbildungsmöglichkeiten
D
Im Wildpark ist sie mehr mit praktischen Sachen beschäftigt

Slide 19 - Quizvraag


''für die man übrigens nicht allzu empfindlich sein sollte'' (Absatz 2) Wieso nicht?
A
Die Arbeit findet unter allen Wetterbedingten draußen statt
B
Die Arbeit ist körperlich sehr schwer
C
Man muss den Umgang mit Tierleichen ertragen
D
Man muss manchmal kranke Tiere per Hand nähren

Slide 20 - Quizvraag


Wat vindt Hannah het mooiste onderdeel van haar werk? (alinea 2)

A
helpen bij het snijden van de hoeven
B
het verzorgen van een dier als het ziek is
C
assisteren bij de bevalling van een geit

Slide 21 - Quizvraag


Welche Aussage stimmt mit dem 3.Absatz überein?
A
Hannah findet Besucher bei ihrer Arbeit manchmal lästig
B
Hannah führt ab und zu Besuchergruppen durch den Wald
C
Hannah lässt Besucher manchmal selber füttern
D
Hannah mag den Umgang mit Besuchern

Slide 22 - Quizvraag


Welche Überschrift passt zum 4.Absatz ?
A
Aus negativen Erfahrungen kann man nur lernen
B
Ein neuer Beruf für Hannah
C
Noch Ausbildungsstellen zum Tierpfleger verfügbar
D
Worauf es ankommt und womit man rechnen muss

Slide 23 - Quizvraag

einde van de toets
lever de toets in

Slide 24 - Tekstslide