FUTUR PROCHE - FUTUR (SIMPLE)
FUTUR PROCHE - FUTUR (SIMPLE)
Les objectifs
1. Ik kan een zin in de futur proche maken.
2. Ik kan een zin in de futur simple maken.
Le programme
Hoe maak je de futur proche?
Hoe ging het werkwoord ALLER ook al weer?
Hoe maak je de futur (simple)?
Verder oefenen met verbuga.eu
Futur Proche
Als je wilt zeggen dat iets binnen zeer korte tijd gaat plaatsvinden, gebruik je de futur proche. De futur proche bestaat uit een vorm van het werkwoord ALLER + het hele werkwoord (de infinitif)
Opdracht 1: luister (volgende dia) nog eens naar de présent van het werkwoord ALLER
originalType.dragQuestion
Je
Tu
il, elle, on
Nous
Vous
ils, elles
Hoe maak je de futur proche?
Hoe zet je een werkwoord in de futur proche?
Stap 1: Neem de juiste vorm van het werkwoord ALLER
Bijvoorbeeld: je vais
Stap 2: Zet hier het hele werkwoord achter.
Stap 3
Je vais partir Ik ga vertrekken
Tu vas partir Jij gaat vertrekken
Il va partir Hij gaat vertrekken
Elle va partir Zij gaat vertrekken
On va partir Men gaat/wij gaan vertrekken
Nous allons partir Wij gaan vertrekken
Vous allez partir Jullie gaan/ u gaat vertrekken
Ils vont partir Zij gaan vertrekken
Elles vont partir Zij gaan vertrekken
wij gaan kopen
nous allons buyer
nous avons acheter
nous allons acheter
nous avons buyer
Vertaal: Ik ga kopen
wij gaan worden
nous allons devenir
nous avons venir
nous allons deviner
nous allons venir
Vertaal: Hij gaat worden
jij gaat winnen
tu va gagner
tu vais gagner
tu alle gagner
tu vas gagner
Vertaal: Zij gaan winnen (mnl)
Le futur
Om aan te geven dat iets in de toekomst gaat gebeuren, gebruik je de futur (simple). In het Nederlands maak je de toekomende tijd met behulp van het werkwoord zullen.
Hoe maak je de futur?
Hoe zet je een werkwoord in de futur?
Stap 1: Neem het hele werkwoord.
Bijvoorbeeld: parler (praten)
Stap 2: Zet hier de juiste uitgang achter : ai/as/a/ons/ez/ont
NB! Bij werkwoorden die eindigen op -re, zoals perdre, vervalt de e.
stap 3
Je parler + ai : je parlerai Ik zal praten
Tu parler + as ; tu parleras Jij zal praten
Il parler + a : il parlera Hij zal praten
Elle parler + a : elle parlera Zij zal praten
On parlera+ a : on parlera Men zal/wij zullen praten
Nous parler+ ons : nous parlerons Wij zullen praten
Vous parler + ez : vous parlerez Jullie zullen/u zal praten
Ils parler + ont : ils parleront Zij zullen praten
Elles parler+ ont : elles parleront Zij zullen praten
Regelmatige ww.
-ER: donner + ai
as
-IR: partir a
ons
-RE: vendre (min de E !) = vendr ez
ont
Onregelmatige ww
être = zijn => stam ser De uitgangen blijven hetzelfde als
avoir = hebben => stam aur bij de regelmatige werkwoorden !
aller = gaan => stam ir (nl. ai/as/a/ons/ez/ont)
pouvoir = kunnen => stam pourr LET OP:
vouloir = willen => stam voudr Dit zijn ook de ww die je op de toets
savoir = weten => stam saur moet kennen !!!
venir = komen => stam viendr
voir = zien => stam verr
faire = doen => stam fer
devoir = moeten => stam devr
jij zult kopen (acheter)
tu vas acheter
tu achètes
tu acheteras
tu vas achter
ik zal winnen (gagner)
je vais gagner
je gagne
je gagnerai
j'ai gagné
wij zullen gaan (aller)
vous allerez
vous allez aller
nous allons aller
nous irons
Zij zal verliezen
Elle perdra
Elle perdrera
Elle perdais
Elle va perdre
Zij zullen weten
Ils saureront
Ils sauront
Ils savoirent
Ils savaient
Vertel in het Frans wat je vanavond gaat doen; gebruik de Futur proche
Vertel in het Frans wat je volgend jaar zomer gaat doen (Futur simple)
Vertel in één minuut wat je zojuist geleerd en geoefend hebt
minute
second
Website